ECLI:NL:RBLIM:2020:8455

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 oktober 2020
Publicatiedatum
2 november 2020
Zaaknummer
8788729 CV EXPL 20-4690
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:271 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontruiming wegens huurovereenkomst voor onbepaalde tijd

In deze kortgedingprocedure vordert eiser de ontruiming van de woonruimte door gedaagde, stellende dat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is en is geëindigd per 1 september 2020. Eiser baseert zich op artikel 7:271 lid 1 BW Pro en stelt dat hij aan de informatieplicht heeft voldaan.

Gedaagde betwist dat sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd en stelt dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten. De kantonrechter onderzoekt de tekst van de huurovereenkomst en concludeert dat deze onmiskenbaar een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreft.

De stelling van eiser dat partijen een tijdelijke huurovereenkomst zijn overeengekomen, is niet komen vast te staan. De vordering wordt daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten ten gunste van gedaagde.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht
Zaaknummer: 8788729 CV EXPL 20-4690
Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 30 oktober 2020
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] aan de [adres 1] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. J.G. van Ek
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] aan de [adres 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. D.W.H. Rouers.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijk uit:
  • het exploot van dagvaarding d.d. 5 oktober 2020
  • de van de zijde van [gedaagde] op 27 oktober ter griffie ontvangen producties
  • de mondelinge behandeling ter zitting op 29 oktober 2020, waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht, de gemachtigde van [gedaagde] aan de hand van een pleitnota.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt van [eiser] de woonruimte aan de [adres 2] in [woonplaats] (verder te noemen: het gehuurde) tegen een huurprijs van laatstelijk € 614,80 inclusief servicekosten. Daarnaast is een maandelijks bijdrage overeengekomen voor het voorschot energiekosten, bijdrage Ziggo-abonnement, en een bijdrage voor schoonmaakkosten.
2.2.
Artikel 3.1. van de huurovereenkomst luidt:

Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur vanminimaal één jaaringaande op 1 september 2019 en lopende tot en met 31 augustus 2020.
Tijdens deze periode kan huurder deze overeenkomst niet tussentijds door opzegging beëindigen. (…)
Beëindiging van de overeenkomst door opzegging dient te geschieden overeenkomstig 19 van de algemene bepalingen” (bedoeld zal zijn:
artikel19 van de algemene bepalingen).
2.3.
Bij brief van 24 juli 2020 heeft [eiser] het navolgende aan [gedaagde] medegedeeld:

Geachte heer [gedaagde] ,
Hierbij delen wij u officieel mede dat wij het huidig huurcontract, dat loopt tot en met 31 augustus 2020 niet zullen verlengen. Uw huurperiode eindigt derhalve op 31 augustus 2020.
Wij verzoeken u om het appartement voor bovengenoemde datum leeg en bezemschoon op te leveren. (…)
2.4.
Bij schrijven van 5 augustus 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser] te kennen gegeven dat - kort gezegd - de huuropzegging niet rechtsgeldig is.
2.5.
[gedaagde] heeft het gehuurde tot op heden niet ontruimd.

3.De vordering

3.1.
[eiser] vordert thans in kort geding de veroordeling van [gedaagde] om het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen, alsmede tot betaling van € 819,80 per maand vanaf 1 september 2020 tot aan de dag van ontruiming, een en ander onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Volgens [eiser] is de huurovereenkomst ‘van tijdelijke duur’, waarmee hij kennelijk bedoelt: gesloten voor bepaalde tijd als bedoeld in art. 7:271 lid 1 BW Pro, zoals dat artikellid sinds de inwerkingtreding in 2016 van de Wet doorstroming huurmarkt 2015 luidt. [eiser] heeft voldaan aan de verplichting om [gedaagde] over het verstrijken van de huur te informeren conform dat artikellid. De huur is derhalve geëindigd op 1 september 2020, zodat [gedaagde] ingaande dat moment zonder recht of titel in het gehuurde verblijft.
3.3.
[gedaagde] betwist dat sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd.

4.De beoordeling

4.1.
Het verweer slaagt. Uitgaande van de tekst van de overeenkomst zoals hierboven onder 2.2. aangehaald, is onmiskenbaar sprake van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hetgeen [gedaagde] daarover in zijn pleitnota onder punt 3 tot en met 12 uiteen heeft gezet, is juist.
4.2.
Dat partijen, de tekst van de huurovereenkomst daargelaten, de
bedoelinghebben gehad om een huurovereenkomst voor bepaalde tijd te sluiten, zoals [eiser] ter zitting heeft betoogd, is door [gedaagde] gemotiveerd betwist en is daarmee in dit kort geding niet vast komen te staan. De vordering zal worden afgewezen.
4.3.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op
€ 720,00 aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op € 720,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.
RK