Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2020:9739

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 december 2020
Publicatiedatum
10 december 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2031
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Hoog Persoonlijk Kilometerbudget wegens ontbreken bijzondere medische omstandigheden

Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een Hoog Persoonlijk Kilometerbudget (HPKB) die door verweerder is afgewezen. Tegen deze afwijzing is bezwaar gemaakt dat eveneens ongegrond werd verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Limburg.

De rechtbank toetst of eiseres voldoet aan de criteria uit het Indicatieprotocol HPKB, dat onder meer vereist dat aanvragers door medische beperkingen niet met de trein kunnen reizen, zelfs met begeleiding en rolstoel. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiseres, ondanks haar chronische medische beperkingen zoals diabetes, verstandelijke beperking, draaiduizeligheid en benauwdheid, medisch in staat wordt geacht om met begeleiding en een rolstoel met de trein te reizen.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er sprake is van een bijzondere situatie die afwijking van het protocol rechtvaardigt. Hoewel de treinreis vermoeiend kan zijn, vormt dit op zichzelf geen grond voor toekenning van een HPKB. Ook omgevingsfactoren zoals bereikbaarheid van stations en sanitaire voorzieningen zijn geen reden voor afwijking. Verweerder heeft terecht rekening gehouden met de mogelijkheid van begeleiding via het Valys-systeem en het gebruik van leenrolstoelen.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het Hoog Persoonlijk Kilometerbudget wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 19/2031
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: M.J. Simonis-van Riet),
en

FMMU Advies BV, te Utrecht, verweerder,

(gemachtigde: L.B.J. Vrolijk).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toekenning van een Hoog Persoonlijk Kilometerbudget (HPKB) afgewezen.
Bij besluit van 10 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank – na een korte schorsing van het onderzoek ter zitting – uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Aan de orde is de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres om een HPKB terecht heeft afgewezen.
3. De criteria voor toekenning van een HPKB zijn neergelegd in het Indicatieprotocol HPKB (het protocol). Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaan de in het protocol neergelegde toetsingscriteria de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Verweerder heeft die criteria dan ook terecht tot uitgangspunt genomen.
4. In het protocol is bepaald dat een aanvrager in aanmerking komt voor een HPKB als:
“1. de aanvrager beschikt over een Wmo-vervoersvoorziening, een Wmo-rolstoel, scootmobiel of OV-begeleiderskaart en
2. gebruik moet maken van een rolstoel of scootmobiel waarvan gewicht, en/of maatvoering in combinatie met de aanvrager (de zogenaamde ‘mens-machinecombinatie’) zodanig is dat deze de grenzen van mogelijkheid tot hulpverlening door de NS overschrijden en/of
3. door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek niet in staat is met de trein te reizen.
In de toelichting bij het protocol is, voor zover van belang, vermeld: Doel van de inhoudelijke beoordeling is vast te stellen of een aanvrager gezien zijn ergonomische belemmeringen (criterium 2) en/of chronische medische toetsbare beperkingen (criterium 3) niet met de trein kan reizen. Omgevingsgebonden factoren, zoals de bereikbaarheid en toegankelijkheid van stations en perrons, zijn in beginsel geen reden voor toekenning van een HPKB. Verweerder gaat er bij de beoordeling van uit dat pashouders bij het reizen zo nodig gebruik maken van individuele begeleiding en/of de door NS en Valys ter beschikking gestelde voorzieningen, zoals invalidentoiletten in de stations en in de treinen en NS-assistentieverlening. (…) Het feit dat vrienden en familie ver weg wonen vormt in beginsel geen bijzondere omstandigheid die afwijking van het protocol rechtvaardigt.”
5. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres voldoet aan het derde criterium.
Uit het dossier blijkt dat er sprake is van verschillende chronische medische beperkingen.
Eiseres, geboren in [geboortejaar], is bekend met een verstandelijke beperking, diabetes, draaiduizeligheid en benauwdheid. Ze kan niet goed meer lopen, is snel kortademig en kan zich niet goed oriënteren.
Arts [naam arts] heeft op basis van het dossier, het gesprek met de gemachtigde van eiseres (die tevens haar zus, bewindvoerder en mentor is) en informatie van de huisarts, geoordeeld dat eiseres medisch in staat is om met de trein te reizen.
De rechtbank heeft geen redenen om aan dat oordeel te twijfelen. [naam arts] heeft alle relevante informatie bij haar oordeel betrokken en heeft vervolgens gemotiveerd waarom eiseres met de trein kan reizen. Van doorslaggevend belang daarbij is dat [naam arts] uitgaat van begeleiding bij de treinreis en het gebruik van een rolstoel. Met begeleiding en gebruik van een rolstoel zijn de bezwaren tegen het reizen met de trein – ten gevolge van de beperkingen van eiseres – naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondervangen. De arts van verweerder mag uitgaan van een reis met begeleiding en met gebruik van een rolstoel. Dat hoort namelijk tot de uitgangspunten van het vervoerssysteem Valys (waar het laag en hoog PKB onder vallen). Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bovendien toegelicht dat eiseres met haar Valyspas (met laag persoonlijk kilometerbudget) automatisch recht heeft op Valys Begeleid. Dit betekent dat eiseres van deur tot treinstation met een Valystaxi wordt gebracht, het reizen per trein onder volledige begeleiding doet (met behulp van een Valys Reismaatje) en dan vervolgens bij het eindstation van de trein per Valystaxi naar haar eindbestemming wordt gebracht. Ook is het volgens de gemachtigde van verweerder mogelijk om gebruik te maken van een leenrolstoel van Valys.
Daarnaast hoefde de incontinentie van eiseres voor verweerder geen reden te zijn om haar aanvraag om een HPKB toe te wijzen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op de stations sanitaire voorzieningen aanwezig zijn. Eiseres kan op een station (eventueel met assistentie van NS Reizigers of met begeleiding) gebruik maken van het invalidentoilet. Ook dat heeft de hoogste bestuursrechter al vaker geoordeeld.
6. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat eiseres op grond van objectieve medische redenen niet in staat zou zijn om met begeleiding en in een rolstoel met de trein te reizen. Ook is niet gebleken van andere omstandigheden die er toe leiden dat in het geval van eiseres sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat zou moeten worden afgeweken van het protocol. Daarmee wil de rechtbank niet zeggen dat het maken van de lange treinreis niet vermoeiend is voor eiseres en in veel opzichten meer belastend dan vervoer per taxi. Dat vormt alleen op zichzelf geen bijzondere omstandigheid die afwijking van het protocol rechtvaardigt.
7. Het beroep slaagt daarom niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te komen op de wijze zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H. Vonk-Menger, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 10 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.