Op 24 september 2020 werd op verzoek van de dochter en broer van de betrokkene beschermingsbewind en mentorschap ingesteld vanwege vermeende gedragsveranderingen en vermoedelijke ongeschiktheid van de betrokkene om zijn belangen waar te nemen. De betrokkene verzocht vervolgens om opheffing van deze maatregelen.
De kantonrechter beoordeelde op basis van diverse medische rapporten, waaronder recente geriatrische onderzoeken, dat de betrokkene nog voldoende in staat is zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. De diagnose Alzheimer met CDR 1 werd niet als voldoende onderbouwing gezien voor het voortzetten van bewind en mentorschap.
Hoewel er sprake is van een gespannen familieverhouding en onenigheid over de intenties van de dochter en broer, is het juridische criterium voor het instellen van bewind en mentorschap het ontbreken van de noodzakelijkheid. Dit ontbrak in deze zaak. De kantonrechter stelde vast dat de wens van de betrokkene om zijn eigen leven te leiden zonder beperkingen prevaleert.
De beschikking tot opheffing van bewind en mentorschap werd uitgesproken, met het advies tot bemiddeling door een professionele derde partij om de familierelaties te verbeteren. De bewindvoerder moet binnen twee maanden na opheffing een eindrekening en verantwoording afleggen.