Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
d.
16 februari 2021
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 7] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte mitsdien hoofdelijk om aan de benadeelde partij [naam 7] te betalen een bedrag van € 2.000,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 25 juli 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een van de mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag te betalen;
- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam 7] van een bedrag van € 2.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 25 juli 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een van de mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen.