Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De beslissing
vrijvan het primair, het subsidiair, het meer subsidiair en het meest subsidiair tenlastegelegde feit.
Rechtbank Limburg
Op 20 oktober 2017 vond een schietincident plaats in een woning in een Nederlandse gemeente waarbij zowel verdachte als het slachtoffer aanwezig waren. Verdachte werd ervan verdacht het slachtoffer te hebben beschoten met het oogmerk hem te doden of zwaar te mishandelen.
De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van het slachtoffer, een getuige en messengerberichten om poging moord te bewijzen. Verdachte ontkende opzettelijk te hebben geschoten en stelde dat hij in een worsteling het vuurwapen van zich afduwde waarna het afging.
De rechtbank vond de verklaring van verdachte niet onaannemelijk en concludeerde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte met opzet handelde, ook niet voorwaardelijk. Hierdoor werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Het noodweerverweer werd niet inhoudelijk behandeld omdat vrijspraak volgde.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Limburg op 17 februari 2021.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken bewijs dat hij met opzet op het slachtoffer heeft geschoten.