Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
1 februari 2010 tot en met 31 mei 2012op basis van een arbeidsovereenkomst als financieel directeur bij [naam bedrijf 1] gewerkt. Voor de uitoefening van deze functie ontving [verdachte] in april 2010 een creditcard van [naam bedrijf 1] , bedoeld voor zakelijke uitgaven. [2]
€ 4.465,81 ontvangen op de Duitse privébankrekening (met nummer [rekeningnummer 1] ) van [verdachte] . [31] Op 24 februari 2012 werd een bedrag van € 4.735,35 op de Duitse privébankrekening (met nummer [rekeningnummer 1] ) van [verdachte] ontvangen. [32]
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf
criminal charge, vonnis moet worden gewezen. Die termijn is in dit geval beginnen te lopen in augustus 2016. Tussen die datum en de datum van dit vonnis - 16 februari 2021 - ligt een periode van 4 ½ jaar. Deze overschrijding van de redelijke termijn met 2 ½ jaar valt de verdediging niet te verwijten. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt bij een dusdanige overschrijding gehandeld naar bevind van zaken. In beginsel acht de rechtbank voor de bewezen verklaarde feiten, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de lange periode waarin deze feiten zijn gepleegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden passend en geboden. Gelet op de genoemde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank echter een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden opleggen, met een proeftijd van één jaar en met aftrek van de tijd die door de verdachte in Nederland in verzekering en voorlopige hechtenis, alsmede in Duitsland in detentie ingevolge het Nederlands verzoek om overlevering, is doorgebracht.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor feit 1 en feit 2 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 1 jaar;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in Nederland in verzekering en voorlopige hechtenis alsmede in Duitsland in detentie ingevolge het Nederlands verzoek om overlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van één jaar zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.