ECLI:NL:RBLIM:2021:2018

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 maart 2021
Publicatiedatum
8 maart 2021
Zaaknummer
03/659176-18 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvArt. 6:6:26 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel door verduistering als penningmeester wijkcentrum

Verdachte, penningmeester van een wijkcentrum, werd veroordeeld voor verduistering van geldbedragen in de periode van 12 augustus 2016 tot en met 21 maart 2018. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €47.037,09, verkregen door het verduisteren van gelden die werden gebruikt voor gokactiviteiten.

Tijdens de zitting van 22 februari 2021 werden de standpunten van partijen besproken. De officier van justitie stelde dat het bedrag verdiend is door strafbaar handelen en dat er onvoldoende zicht is op de financiële situatie van verdachte om rekening te houden met draagkracht. De verdediging voerde aan dat de vordering afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard moest worden, mede vanwege de financiële positie van verdachte en de samenloop met de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank oordeelde dat verdachte voordeel heeft genoten door het verduisteren van geldbedragen, die via bankrekeningen en payment service providers zijn overgemaakt naar gokgerelateerde rekeningen. Het totaalbedrag van €47.037,09 werd vastgesteld als wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank wees het draagkrachtverweer af omdat niet aannemelijk was dat verdachte geen middelen heeft om te betalen, mede gezien zijn koopwoning.

De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op tot betaling van €47.037,09 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De vordering van de benadeelde partij werd buiten beschouwing gelaten omdat deze nog niet onherroepelijk was en niet voldaan.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg op 8 maart 2021.

Uitkomst: Verdachte is verplicht tot betaling van €47.037,09 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTbANK Limburg

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/659176-18 (ontneming)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 8 maart 2021 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1974,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door Mr. A.F.Th.M. Heutink, advocaat, kantoorhoudende te Gennep.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 februari 2021. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/659176-18. Op 8 maart 2021 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 47.034,09. Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor [verdachte] is veroordeeld.
Op de terechtzitting van 22 februari 2021 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat zij het geschatte voordeel en de op te leggen betalingsverplichting op € 47.037,09 vaststelt.

3.De beoordeling

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [verdachte] een bedrag van € 47.037,09 heeft verdiend met zijn strafbaar handelen. Nu de officier van justitie onvoldoende zicht heeft op de financiële situatie van [verdachte] , kan zij daar niet op anticiperen. Het inkomen uit arbeid is relatief beperkt, maar zij sluit niet uit dat er andere mogelijkheden bestaan om het geldbedrag te betalen. Nu geen sprake is van een begin van terugbetaling van de vordering van de benadeelde partij, hoeft daarmee, gelet op artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht, bij de toewijzing van de ontnemingsvordering geen rekening te worden gehouden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, op dezelfde gronden als de in de strafzaak bepleite afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] . Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, indien de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, omdat beide vorderingen niet tezamen kunnen worden toegewezen. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat gelet dient te worden op de financiële positie en middelen van [verdachte] . Het is overbodig de vordering à
€ 47.037,09 toe te wijzen, nu [verdachte] de financiële middelen niet heeft om het bedrag te voldoen en het enkel meer schade zal toebrengen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis d.d. 8 maart 2021 is [verdachte] veroordeeld wegens
verduistering, meermalen gepleegd, gepleegd in de periode van 12 augustus 2016 tot en met 21 maart 2018.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.
3.3.2
Het bewijs [1]
Aangeefster [naam aangeefster] deed namens het slachtoffer [naam benadeelde] aangifte. Zij verklaarde bij de politie op 5 april 2018 – zakelijk weergegeven – als volgt: [2]
Ik ben officieel sinds 5 januari 2018 bestuurslid van de [naam benadeelde] . [verdachte] is de penningmeester sinds de oprichting van de stichting. Ik wil namens het bestuur van de stichting aangifte doen van mogelijke diefstal / verduistering / oplichting / fraude, in ieder geval van het verdwijnen van geld van de stichting. Voor zover ik weet heeft de stichting maar 1 betaalrekening, te weten [rekeningnummer 1] . Daarnaast is er nog een spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] die hangt aan de lopende rekening. Eén bankpas is in het bezit van [verdachte] . De penningmeester beheert die bankrekeningnummers.
Verbalisant [naam 1] relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt: [3]
Er is nader onderzoek gedaan naar de PSP’s (
naar de rechtbank begrijpt: payment service providers, financiële tussenpersonen [4] ) waar geld naar wordt overgemaakt vanaf de bankrekening van [naam benadeelde] .
PSP [naam 2]
Zoals beschreven in het proces-verbaal van bankanalyse van de bankrekening van [verdachte] [..] wordt in totaal van de bankrekening van [naam benadeelde] € 25.770,00 af-/overgeschreven naar een bankrekening van [naam 2] in het kader van bestedingen bij [naam 3] . De eerste af-/overschrijving die te zien is op de bankrekening van [naam benadeelde] naar [naam 2] in dit kader vond plaats op 23 mei 2017. De laatste af-/overschrijving vond plaats op 20 maart 2018.
PSP [naam 4]
Op de website: [website 1] staat onder meer beschreven dat MRCASH een betaalmethodiek is die door verschillende casino’s wordt ondersteund dan wel wordt gebruikt voor het doen van betalingen. In de omschrijvingen van alle af-/overschrijvingen naar [naam 4] op de bankrekening van [naam benadeelde] [..] staat MRCASH. De eerste af-/overschrijving die te zien is op de bankrekening van [naam benadeelde] naar [naam 4] vond plaats op 12 augustus 2016. De laatste af-/overschrijving vond plaats op 9 maart 2018. Zoals beschreven in het proces-verbaal van bankanalyse van de bankrekening van [naam benadeelde] [..] wordt in totaal van de bankrekening van [naam benadeelde] € 14.259,09 af-/overgeschreven naar een bankrekening van [naam 4] .
PSP Trustly Group
Op de website: [website 2] staat beschreven dat Trustly Group onder meer online betaalmethodes aanbiedt voor online casino’s. Zoals beschreven in het proces-verbaal van bankanalyse van de bankrekening van [naam benadeelde] [..] wordt in totaal van de bankrekening van [naam benadeelde] € 7.008,00 af-/overgeschreven naar een bankrekening van Trustly Group. De eerste af-/overschrijving die te zien is op de bankrekening van [naam benadeelde] naar [naam 2] (
naar de rechtbank begrijpt: Trustly Group) in dit kader vond plaats op 21 juli 2017. De laatste af-/overschrijving vond plaats op 21 maart 2018.
In de periode van 12 augustus 2016 - 21 maart 2018 wordt er van de bankrekening van [naam benadeelde] in totaal € 47.034,09 (
de rechtbank komt na telling uit op: € 47.037,09) af-/overgeschreven naar bankrekeningen van PSP’s in (vermoedelijk) het kader van online gokken.
Verbalisant [naam 1] relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt: [5]
Zoals beschreven zijn de IP-adresgegevens gevorderd en verkregen. Uit deze informatie komen onder meer de ‘loggegevens’ naar voren die betrekking hebben op de lopende bankrekening ( [rekeningnummer 1] ) van [naam benadeelde] . Uit de IP-adresgegevens / loggegevens van de bankrekening van [naam benadeelde] komt onder meer naar voren dat de meeste banktransacties worden gedaan vanaf het IP-adres [IP adres] , te weten het IP-adres dat is aangesloten op het GBA-adres van [verdachte] .
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard – zakelijk weergegeven – :
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik het geld heb verduisterd. Ik besefte dat ik het wel moest zijn geweest, want het kon niet anders. Ik kon voor het betalen en innen van de gokgelden ook beschikken over de bankrekening van mijn zoon. U, oudste rechter, vraagt mij of ik het ben geweest of dat ik het mij niet herinner. Ik heb vlagen van herinneringen. Ik ben het absoluut geweest en ik ben 100% degene die de fout heeft gemaakt.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van of uit de baten van voormeld feit voordeel heeft gekregen.
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat er in het dossier voldoende aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat [verdachte] voordeel heeft genoten van de verduistering. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Uit het dossier is gebleken dat [verdachte] in een periode van 12 augustus 2016 tot en met 21 maart 2018 meerdere geldbedragen heeft verduisterd door deze geldbedragen, die hij onder zich had als penningmeester, te gebruiken voor gokspelletjes. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank waardeert op een bedrag van
€ 47.037,09. Dit is het totaalbedrag van de bedragen die telkens door [verdachte] vanaf de bankrekening van [naam benadeelde] zijn overgemaakt naar de verschillende PSP’s.
Vordering benadeelde partij [naam benadeelde]
De rechtbank zal geen rekening houden met de in de strafzaak toegewezen vordering benadeelde partij van [naam benadeelde] tot een bedrag van € 47.722,81. Het bepaalde in artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorziet dat van voordeelsontneming geen sprake meer moet zijn indien en voor zover de schade die door het strafbare feit is ontstaan, reeds door de veroordeelde is vergoed. In dit geval is deze toewijzing nog niet onherroepelijk en daarnaast is de vordering nog in het geheel niet voldaan. Indien het strafvonnis onherroepelijk wordt en/of [verdachte] de vordering heeft voldaan, kan hij op grond van de in artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voorziene procedure zich tot de strafrechter wenden met het verzoek het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te wijzigen.
De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve op (€ 25.770,00
+ € 14.259,09 + € 7.008,00 =) €
47.037,09.
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 47.037,09 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] geen financiële middelen heeft om het bedrag à € 47.037,09 te voldoen.
In beginsel dient de draagkracht aan de orde te worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen met vrucht aan de orde worden gesteld, indien aanstonds duidelijk is dat veroordeelde op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.
Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, mede gelet op het feit dat veroordeelde een koopwoning heeft die ten gelde kan worden gemaakt.
De rechtbank verwerpt dan ook het gevoerde draagkrachtverweer.

4.Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
  • legt [verdachte] de verplichting op tot
- bepaalt de duur van de
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
540 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. M.G.J.M. van der Staak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart 2021.
Buiten staat
Mrs. R. Verkijk en M.G.J.M. van der Staak zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2018046119, gesloten op 13 juni 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 89.
2.Proces-verbaal van aangifte van [naam aangeefster] namens [naam benadeelde] d.d. 5 april 2018, pagina 14-21.
3.Proces-verbaal Onderzoek naar PSP’s d.d. 13 juni 2018, pagina 33-34.
4.Proces-verbaal Bankanalyse bankrekeningen [verdachte] d.d. 20 april 2018, pagina 36.
5.Proces-verbaal Bankanalyse bankrekeningen [naam benadeelde] d.d. 8 mei 2018, pagina 41-47.