Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
INTRUM JUSTITIA NEDERLAND B.V., rechtsopvolger van
WEHKAMP B.V.en
WEHKAMP FINANCE B.V.,
Rechtbank Limburg
Intrum vordert betaling van een kredietbedrag van € 1.242,50 plus rente van de gedaagde, stellende dat tussen Wehkamp en de gedaagde een kredietovereenkomst tot stand is gekomen. De gedaagde betwist dat zij de contractpartij is en voert aan dat haar naam ten onrechte is gebruikt, dat zij geen goederen heeft ontvangen en dat zij contact heeft gehad met Wehkamp over onterechte facturen.
De rechtbank stelt dat op Intrum de stelplicht en bij betwisting de bewijslast rust om het bestaan van de kredietovereenkomst aan te tonen. Intrum heeft onvoldoende bewijs geleverd, zoals het ontbreken van gegevens over het e-mailadres waar het aanbod is gedaan en de bankrekening van de betalingen. Ook is niet bewezen dat goederen aan de gedaagde zijn geleverd.
De gemotiveerde betwisting van de gedaagde en het ontbreken van tegenbewijs leiden tot de conclusie dat niet vaststaat dat de kredietovereenkomst is gesloten. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en veroordeelt Intrum in de proceskosten. De wettelijke rente over de kosten wordt eveneens toegewezen.
Uitkomst: Vordering van Intrum wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van kredietovereenkomst.