Uitspraak
RECHTBANK limburg
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2021 in de zaak tussen
[naam 1] , eiser
[derde belanghebbenden].
Rechtbank Limburg
Eiser verzocht handhavend op te treden tegen een haag die zonder toestemming was geplant op een perceel nabij zijn woning. Hij stelde dat de haag de openbare weg vernauwde en de toegang tot zijn garage belemmerde, waardoor sprake zou zijn van een overtreding van artikel 2.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem, wees het verzoek af omdat de haag volgens hem de bruikbaarheid van de weg niet belemmerde en de haag was geplant op grond met de bestemming “Wonen - 2”, waarvoor het planten van een haag toegestaan is. De onafhankelijke adviescommissie bevestigde dit standpunt.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de haag de publieke functie van de weg had onttrokken of de weg smaller had gemaakt dan voorheen aanwezige begroeiing. Ook voldeed de weg niet aan de minimale breedte van 3,5 meter zoals genoemd in artikel 2.10, tweede lid, APV, waardoor dit artikel niet van toepassing was.
Daarom oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht had geoordeeld dat geen sprake was van een overtreding en dat hij niet bevoegd was handhavend op te treden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek is ongegrond verklaard omdat geen overtreding van artikel 2.10 APV is vastgesteld.