Op 20 september 2020 werd melding gemaakt van een aanranding in Maastricht waarbij verdachte werd verdacht van poging tot verkrachting van het slachtoffer. Getuigeverklaringen, waaronder die van een omstander, en camerabeelden werden onderzocht.
De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van getuigen en een 112-melding, terwijl de verdediging betoogde dat het bewijs onvoldoende was en de verklaringen niet werden ondersteund door camerabeelden. Het slachtoffer zelf deed geen aangifte en ontkende expliciet verkracht te zijn.
De rechtbank constateerde dat essentiële onderdelen van de getuigenverklaring niet overeenkwamen met de camerabeelden, waardoor de betrouwbaarheid van deze verklaring ernstig werd aangetast. Zonder voldoende bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €50.000, maar deze vordering werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. De proceskosten werden begroot op nihil ten laste van de verdachte.