Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De beoordeling
- dagvaarding € 111,59
- griffierecht € 240,00
- salaris gemachtigde €
Rechtbank Limburg
In deze civiele procedure vorderde eiser betaling van een bedrag van € 2.415,00 van gedaagde, vermeerderd met wettelijke rente en een dwangsom. Gedaagde heeft na verkregen uitstel niet meer geantwoord, waardoor de vordering van eiser als niet weersproken wordt beschouwd en toewijsbaar is, behoudens de gevorderde dwangsom.
De kantonrechter oordeelde dat de dwangsom, op grond van artikel 611a lid 1 tweede volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, moet worden afgewezen. De hoofdsom wordt toegewezen tegen behoorlijk bewijs van kwijting, inclusief de wettelijke rente en verhoging over een deel van het bedrag vanaf 2 november 2020.
Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser, begroot op € 538,59, en in de nakosten conform richtlijnen LOVCK. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.415,00 met rente en proceskosten, dwangsom wordt afgewezen.