De rechtbank Limburg behandelde op 21 april 2021 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van de voogdij van de oom over de minderjarige. De oom en tante waren sinds 2016 gezamenlijk voogd. De minderjarige woont met de oom in het voormalig ouderlijk huis.
De rechtbank stelde vast dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door de slechte financiële bewindvoering door de oom, die geen verantwoording aflegt over verdwenen gelden en verzuimt essentiële zaken zoals de zorgverzekering te regelen. Daarnaast zijn er pedagogische zorgen: de relatie tussen oom en minderjarige is gespannen, er is weinig contact en de oom toont beperkt probleeminzicht. De oom heeft het huis niet verlaten ondanks afspraken, wat de rust voor de minderjarige verstoort.
Gezien de langdurige problematiek en het ontbreken van adequate hulpverlening acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de oom binnen een aanvaardbare termijn de voogdijverantwoordelijkheid kan dragen. De voogdij wordt daarom beëindigd en het centrale gezagsregister wordt geïnformeerd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.