De rechtbank Limburg behandelde op 23 juni 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van bezit van kinderporno in de periode van 16 augustus 2019 tot en met 29 september 2020. In de woning van verdachte werden twee harde schijven in beslag genomen met daarop 557 foto's en 113 video's met kinderpornografische inhoud. Deze bestanden waren 'carved', wat betekent dat ze verwijderd waren uit de index van de harde schijven en alleen met speciale software toegankelijk waren.
De officier van justitie stelde dat het materiaal op enig moment binnen de ten laste gelegde periode in het bezit van verdachte moest zijn geweest, mede omdat op 16 augustus 2019 kinderporno was aangetroffen op de Google Drive van verdachte. De verdediging betoogde dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte de beschikking had over de speciale software om de bestanden te openen en dat niet kon worden bewezen dat het materiaal binnen de ten laste gelegde periode op de harde schijven stond.
De rechtbank oordeelde dat bezit van kinderporno opzet vereist in de vorm van beschikkingsmacht, wat inhoudt dat men de bestanden moet kunnen openen, verzenden of uploaden. Aangezien de bestanden alleen met speciale software toegankelijk waren en niet was gebleken dat verdachte over deze software beschikte, kon niet worden vastgesteld dat hij beschikkingsmacht had over de bestanden op het moment van inbeslagname. Ook kon niet worden vastgesteld wanneer de bestanden van de harde schijven waren verwijderd, zodat niet kon worden bewezen dat verdachte binnen de ten laste gelegde periode de beschikking over het materiaal had.
De rechtbank verwierp de redenering van de officier van justitie dat het feit dat het materiaal 'carved' was, impliceerde dat het binnen de ten laste gelegde periode in bezit was geweest. Bovendien was het bezit van kinderporno op de Google Drive niet onderdeel van de tenlastelegging. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.