De rechtbank Limburg behandelde op 9 juli 2021 de ontnemingsvordering tegen verdachte, die parallel liep met de strafzaak waarin verdachte werd verdacht van witwassen. Het Openbaar Ministerie vorderde een bedrag van €165.341,69 als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Echter, op dezelfde dag wees de rechtbank vonnis in de strafzaak en sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen. Op grond van artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een ontnemingsvordering alleen worden ingesteld tegen iemand die veroordeeld is wegens een strafbaar feit.
Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en uitgesproken in een openbare zitting.
De zaak illustreert de onderlinge afhankelijkheid van strafrechtelijke veroordeling en de mogelijkheid tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zonder veroordeling kan geen ontnemingsvordering worden toegewezen.