De rechtbank Limburg heeft op 15 juli 2021 het verzoek van de vader toegewezen om het gezamenlijk gezag over de minderjarige te beëindigen en hem te belasten met het eenhoofdig gezag. De ouders hadden sinds 2019 gezamenlijk gezag, maar de verstandhouding is ernstig verstoord en overleg over belangrijke beslissingen is niet mogelijk.
De moeder is nauwelijks bereikbaar en reageert niet of afwijzend op verzoeken van de vader en de gecertificeerde instelling (GI). De minderjarige verblijft sinds augustus 2019 bij de vader, waar zij een veilige en gestructureerde omgeving heeft. De moeder heeft sinds september 2020 geen contact meer met het kind, wat de klempositie van de minderjarige versterkt.
De GI en de Raad voor de Kinderbescherming onderschrijven het belang van het kind en de noodzaak van het verzoek. De rechtbank weegt het risico af dat de moeder uit het leven van het kind wordt geweerd, maar acht dit risico niet aanwezig omdat de vader openstaat voor contactherstel onder professionele begeleiding.
De rechtbank concludeert dat het beëindigen van het gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige is, omdat het voortduren van de klempositie schadelijker zou zijn. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader wordt niet apart vastgesteld, omdat deze automatisch volgt uit het eenhoofdig gezag. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden bestreden door hoger beroep.