Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
- verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet ontvankelijk;
- verklaart het verzoek tot wraking van de griffier niet ontvankelijk.
Rechtbank Limburg
In deze zaak diende de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid een verzoek tot wraking in tegen mr. P.H.M. Kuster, rechter in de rechtbank Limburg, en de griffier. Het verzoek werd ingediend naar aanleiding van een lopende civiele procedure. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op basis van de wettelijke vereisten uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het wrakingsprotocol.
De wrakingskamer stelde vast dat het verzoek summier was en niet voldeed aan de motiveringsplicht. Verzoekster gaf geen concrete feiten of omstandigheden aan die het vermoeden van partijdigheid of gebrek aan onpartijdigheid van de rechter konden rechtvaardigen. Ook het wrakingsverzoek tegen de griffier werd afgewezen omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.
Op grond van deze bevindingen verklaarde de wrakingskamer het verzoek tot wraking van zowel de rechter als de griffier niet ontvankelijk en besloot zij dat een mondelinge behandeling niet nodig was. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2021 door de wrakingskamer bestaande uit drie rechters.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter en griffier is niet ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan motivering.