Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de rolbeslissing van 20 mei 2020,
- de akte houdende overlegging producties 11 tot en met 16 van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,
- de akte houdende overlegging producties 17 tot en met 21 van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ,
- het proces-verbaal van comparitie van 4 februari 2021, dat abusievelijk onjuist is
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie en in reconventie
- (1) € 100.059,95 (gedane investering in de woning)
- (2) € 41.000,00 (verbouwing)
- (3) € 3.717,82 (kosten van door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] overige betaalde lasten).
Aankoop van de woning
“om zo een bedrag van in totaal ongeveer € 100.000,-- te investeren”(€ 90.000 plus € 10.059,95 is circa € 100.000,00) waarbij het deel van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ad € 50.000,00
“dient te worden weggestreept tegen het bedrag van € 50.000,-- dat vervolgens door de vrouw op 14 december 2015 rechtstreeks aan de man is terugbetaald”(conclusie van antwoord in conventie, randnr. 17). Hieruit volgt dat partijen ieder een bedrag van € 50.000,00 in de aankoop van de woning hebben geïnvesteerd, hetgeen de rechtbank als vaststaand aanneemt, zodat geen sprake is van enig vergoedingsrecht van partijen over en weer en wat betreft de aankoop van de woning niets van elkaar te vorderen hebben.
Verbouwingskosten
Overige kosten ad in totaal € 3.717,82
5.De beslissing
- € 16.270,32 (rov. 4.12), en
- € 1.149,21 (rov. 4.16),
€ 17.419,53,