Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[vergunninghouder], te [woonplaats] .
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor de inwoning van zijn ouders in een woning gelegen in een gebied met bestemming 'Wonen'. Hoewel inwoning in strijd is met het bestemmingsplan, kent het plan een afwijkingsmogelijkheid onder voorwaarden. Eiser, buurman van vergunninghouder, betoogt dat niet aan deze voorwaarden is voldaan, omdat de woning feitelijk uit twee zelfstandige wooneenheden bestaat, wat neerkomt op woningsplitsing.
De rechtbank stelt vast dat de woning is gebouwd conform een onherroepelijke bouwvergunning uit 2003 en dat eerder is geoordeeld dat er geen sprake is van woningsplitsing. De voorwaarden voor afwijking uit het bestemmingsplan vereisen onder meer dat de afhankelijke woning verbonden is met de hoofdwoning en dat er geen woningsplitsing is. De rechtbank oordeelt dat de woning technisch verbonden is, maar dat de feitelijke indeling met twee zelfstandige wooneenheden geen ondergeschiktheid of afhankelijkheid van het inwonende huishouden aantoont.
Desondanks concludeert de rechtbank dat de ruimtelijke bezwaren van eiser reeds in eerdere procedures zijn meegewogen en dat het beroep zich beperkt tot persoonlijke motieven zonder ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de omgevingsvergunning voor inwoning.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor inwoning wordt ongegrond verklaard.