Eiser diende op 24 november 2020 een aanvraag omgevingsvergunning in voor het bouwen van een woning op gronden met een recreatieve bestemming, waarvoor een vrijstelling was verleend in een eerdere eerste fase vergunning. Eiser stelde dat de reguliere voorbereidingsprocedure had moeten worden gevolgd en dat verweerder te laat had beslist, waardoor volgens hem een omgevingsvergunning van rechtswege was ontstaan. Hij vorderde tevens een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen.
Verweerder stelde dat de aanvraag betrekking had op een vergunning tweede fase en dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing was, waardoor de beslistermijn nog niet was verstreken ten tijde van het beroep. De rechtbank nam het besluit van 14 juli 2021 waarin de vergunning werd verleend mee in het beroep, evenals het besluit van 12 maart 2021 over de dwangsom.
De rechtbank oordeelde dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing was op grond van artikel 1.5b van de Invoeringswet Wabo en artikel 2.5 van de Wabo. De beslistermijn bedroeg zes maanden, zodat de ingebrekestelling van 28 januari 2021 prematuur was. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen was daarom niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de weigering van de dwangsom en het besluit op de aanvraag werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.