Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.de naamloze vennootschap NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGS MIJ. N.V.,
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
,
4.de naamloze vennootschap ARAG SE,
[gedaagde sub 5],
[gedaagde sub 6],
[gedaagde sub 7],
1.De procedure
- de dagvaarding met 13 producties
- de akte houdende eiswijziging met de producties 14 tot en met 16
- de conclusie van antwoord van de schadeverzekeraars met 3 producties
- de conclusie van antwoord van Arag met 3 producties
- de conclusie van antwoord van [gedaagden sub 5 t/m 7]
- de akte houdende de producties 17 tot en met 20 van [eiser] (exclusief de toelichting op
2.De feiten
- de elektrische installatie is aangelegd en wordt onderhouden overeenkomstig de van toepassing zijnde voorschriften.
- Controle op de installatie en de werking ervan vindt plaats conform bepaling 5.3.3. van de meest recente NNI-uitgave : Bedrijfsvoering van elektrische installaties”. Deze controle wordt ten minste eenmaal per vijf jaar herhaald.
- Eventuele tekortkomingen en/of gebreken worden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na constatering daarvan, verholpen.
3.Het geschil
- voor recht te verklaren dat gedaagde sub 1en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 4 (als de volmachtgevende inventaris/goederenverzekeraar(s)) ernstig toerekenbaar tekort is/zijn geschoten in de op haar/hen rustende zorgplicht;
- voor recht te verklaren dat [eiser] als gevolg van die schending van de zorgplicht schade heeft geleden en gedaagde sub 1en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 4 voor die schade hoofdelijk aansprakelijk is/zijn;
- gedaagde sub 1en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 4 ieder voor het in randnummer 1.8. van deze dagvaarding omschreven gedeelte te veroordelen tot betaling aan [eiser] van primair een bedrag ad € 139.500,- (aan inventarisschade) en een bedrag ad € 4.000,- (goederenschade), althans subsidiair een bedrag door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen, welke bedrag zowel in primair als in subsidiair vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf 14januari 2018, althans 12 maart 2018, althans 24 april 2018 althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 4 ieder voor het in randnummer 1.8. van deze dagvaarding omschreven gedeelte te veroordelen tot betaling aan [eiser] van primair de forfaitaire buitengerechtelijke kosten ad € 2.170,- (ten aanzien van de inventarisschade) exclusief btw op grond van de Wet normeringincassokosten en subsidiair de redelijke buitengerechtelijke kosten door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
- voor recht te verklaren dat gedaagde sub 5 (als volmachtgevende rechtsbijstandsverzekeraar) ernstig toerekenbaar tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht;
- voor recht te verklaren dat At- [eiser] als gevolg van die schending schade heeft geleden en gedaagde sub 5 voor die schade aansprakelijk is;
- gedaagde sub 5 te veroordelen tot betaling aan [eiser] van primair een bedrag aan kosten rechtsbijstand, door [eiser] nader bij akte op te geven, althans subsidiair een bedrag terzake door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf primair 24 april 2018, subsidiair vanaf 9 mei 2018 en meer subsidiair vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
4.De beoordeling
Algemeen
ook op kantoor besproken. (…)
het aanvraagformulier ingevuld. [naam manager] en [naam 1] zouden de zaken regelen.”
“De exploitatie van een hotel-restaurant.”Daarnaast komt uit de besprekingen op 29 juni 2016 meermaals naar voren dat de (reeds lopende) exploitatie als hotel-restaurant zou worden voortgezet. Zo is blijkens de gespreksnotities een bedrijfsschadeverzekering aan de orde geweest
(“Geen interesse na uitleg van de dekking.”). [eiser] heeft de gewenste exploitatie als hotel-restaurant vervolgens bevestigd door dit ook als zodanig in het aanvraagformulier te melden. Tevens is een vergunning aangevraagd voor de exploitatie. In het licht van dit alles mocht [gedaagde sub 7] er redelijkerwijs vanuit gaan dat het pand als hotel-restaurant zou worden geëxploiteerd – of beter: dat de exploitatie als hotel-restaurant zou worden voortgezet – en lag advisering van de gewraakte verzekering alleszins voor de hand.
“dat het niet duidelijk was wie hij moest dagvaarden”(proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 15 maart 2021, pag. 3, tweede alinea), zodat die proceskosten ten laste van [gedaagde sub 7] dienen te komen, onderschrijft de rechtbank niet. Immers, voor zover zulks al niet per definitie voor risico komt van de dagvaardende procespartij, blijkt reeds uit de polisstukken alsmede de vóór deze procedure tussen partijen gevoerde correspondentie eenduidig welke hoedanigheden de verschillende gedaagden hebben. De stelling van [eiser] dat hij
“zich hardop af[vraagt]
of verzekeraars nu écht denken dat zij er zo makkelijk mee weg komen”(spreekaantekeningen van [eiser] , randnr. 3.2, gehecht aan het proces-verbaal van comparitie van 15 maart 2021), kan de rechtbank dan ook niet plaatsen. Aan deze stelling dient derhalve aanstonds te worden voorbijgegaan.
6.428,00(2,0 punten × tarief € 3.214,00, tarief VII)
1.126,00(2,0 punten × tarief € 563,00, tarief II)