ECLI:NL:RBLIM:2021:7835

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 oktober 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
C/03/295023 / HA ZA 21-398
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vrijwaring wegens ontbreken rechtsverhouding tussen curator en eiseres

In deze civiele procedure vordert de curator van een failliete vennootschap betaling van openstaande bedragen en rente. In een incident verzoekt de eiseres om de bestuurder van de failliete vennootschap in vrijwaring te mogen roepen, stellende dat zij namens de bestuurder gelden heeft ontvangen en daarmee facturen heeft betaald.

De curator voert verweer en stelt dat eiseres niet heeft onderbouwd op welke rechtsverhouding zij zich beroept om de bestuurder in vrijwaring te roepen. De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van een vrijwaringsverzoek een voldoende duidelijke rechtsverhouding tussen de gewaarborgde en de waarborg vereist is.

De rechtbank concludeert dat uit de aangevoerde feiten geen zodanige rechtsverhouding blijkt en wijst het verzoek tot vrijwaring af. Eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt voortgezet met een nieuwe rolzitting gepland in de periode mei tot oktober 2022.

Uitkomst: Het verzoek tot vrijwaring wordt afgewezen wegens ontbreken van een voldoende onderbouwde rechtsverhouding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/295023 / HA ZA 21-398
Vonnis in incident bij vervroeging van 13 oktober 2021
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam failliet],
woonplaats kiezend te [woonplaats 1] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. J.M.C. Kemper,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident],
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. J.A.M.W. Lutgens.
Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 16
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met producties 1 t/m 5
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

in de hoofdzaak

2.1.
De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] veroordeelt:
I. tot betaling van € 144.510,70 aan de faillissementsboedel van [naam failliet] , te vermeerderen met wettelijke (handels)rente vanaf de dag van faillissement, dan wel vanaf de dag van dagvaarding, dan wel vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
II. tot betaling aan de faillissementsboedel van [naam failliet] (rechtbank: van) de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over het onder I gevorderde, vanaf 3 augustus 2020, althans vanaf de datum van de dagvaarding;
III.tot betaling aan de faillissementsboedel van [naam failliet] van € 2.220,11 althans een zodanig bedrag als in deze door de rechtbank juist en redelijk wordt geacht vanwege buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;
IV. in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.
in het incident
2.2.
[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] vordert dat haar wordt toegestaan [naam bestuurder failliet] (hierna: [naam bestuurder failliet] ) in vrijwaring op te roepen. Zij stelt, voor zover de rechtbank begrijpt, dat zij op verzoek van [naam bestuurder failliet] namens [naam failliet] geld op haar rekening heeft ontvangen en dat zij met die tegoeden – in opdracht van [naam bestuurder failliet] als bestuurder van [naam failliet] – facturen van derden aan [naam failliet] heeft betaald.
2.3.
De curator voert verweer en stelt dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] heeft nagelaten te stellen en te onderbouwen welke rechtsverhouding er tussen haar en [naam bestuurder failliet] bestaat op grond waarvan [naam bestuurder failliet] [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] zou moeten vrijwaren in het kader van de tegen haar bij dagvaarding ingestelde vordering. [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] heeft enkel aangevoerd gelden van [naam failliet] te hebben ontvangen en daarmee te hebben gehandeld in opdracht van [naam failliet] .

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Voor toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring is vereist dat de gewaarborgde zich beroept op een rechtsverhouding met een derde (hierna: waarborg) die meebrengt dat de waarborg verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak tegen de gewaarborgde te dragen. Daarbij behoeft het bestaan van die rechtsverhouding in het vrijwaringsincident als zodanig nog niet komen vast te staan. Of die rechtsverhouding tussen de gewaarborgde en de waarborg daadwerkelijk bestaat, is een onderwerp dat eventueel in de afzonderlijke procedure in vrijwaring tussen de gewaarborgde en de waarborg aan de orde kan worden gesteld.
3.2.
Uit het ter zake door [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] aangevoerde kan de rechtbank geen voldoende duidelijke rechtsverhouding halen op grond waarvan [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] [naam bestuurder failliet] zou kunnen aanspreken. De incidentele vordering zal derhalve worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.
3.3.
[gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 563,00,
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
24 november 2021voor conclusie van antwoord alsmede voor opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen voor een mondelinge behandeling in de periode 1 mei 2022 tot en met 30 oktober 2022.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken. [1]

Voetnoten

1.type: AH