Op 11 oktober 2021 diende verzoeker tijdens een voorlopige getuigenverhoorzitting een wrakingsverzoek in tegen de rechter vanwege het niet honoreren van een aanhoudingsverzoek en de wijze van bejegening.
De wrakingskamer oordeelde dat hoewel de procesbeslissing op zichzelf geen grond voor wraking vormt, de combinatie met de bejegening van verzoeker, die zonder advocaat aanwezig was, de schijn van partijdigheid opriep. De rechter had verzoeker feitelijk genegeerd en hem te verstaan gegeven dat hij de zitting mocht verlaten.
De wrakingskamer achtte deze schijn van partijdigheid objectief gerechtvaardigd en wees het wrakingsverzoek toe. De beslissing werd op 18 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken.