De werknemer was sinds 29 juli 2019 in dienst bij de werkgever en kreeg vanaf januari 2021 de taak om de voorraadadministratie bij te houden. In maart 2021 constateerde de manager dat de geregistreerde voorraad significant hoger was dan de werkelijke voorraad. De werknemer werd hierover geconfronteerd, maar gaf geen verklaring voor de onjuistheden.
De werkgever probeerde de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen, maar dit werd niet bevestigd door de werknemer. De werknemer stelde dat sprake was van een ontslag op staande voet, wat zij echter niet kon bewijzen. Beide partijen erkenden dat de arbeidsrelatie onherstelbaar was verstoord.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever zich niet als een goed werkgever had gedragen door het ontbreken van schriftelijke vastlegging van belangrijke gesprekken, onvoldoende onderzoek en begeleiding. Desondanks kon de werknemer niet aantonen dat zij onschuldig was aan het foutief invoeren van voorraadcijfers. Hierdoor was er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever en werd een billijke vergoeding en transitievergoeding afgewezen.
De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 oktober 2021. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding en transitievergoeding werd afgewezen vanwege het ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever.