Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident sub 1] ,2. [gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident sub 2] ,
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 t/m 21
- de exceptie van onbevoegdheid met producties 1 t/m 7
- de incidentele conclusie van antwoord.
2.Het geschil
€ 1.000,--, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom, met een maximum van € 10.000,00 aan verbeurde dwangsommen, voor elke dag of deel daarvan dat gedaagden ( [gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] c.s.) daar niet aan voldoen;
3.De beoordeling in het incident
Nog afgezien van de stelling van [gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident] c.s. over de totstandkoming van de afspraak tussen partijen, is de kantonrechter van oordeel dat – nu de zaak niet in overeenstemming met de bedoeling van art. 96 Rv Pro is voorgelegd – de zaak dient te worden verwezen naar de absoluut bevoegde rechter.
4.De beslissing
woensdag 3 november 2021voor stellen advocaat,