Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
Algemene overweging
dan heel veel herrie.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Feit 1: poging zware mishandeling
Feit 2: mishandeling
Feit 3: bedreiging
Vrijspraakoverweging
Bewijsoverwegingen
ofuitschuifbare staaf met een verzwaard uiteinde”. Dat betekent dat het voorwerp, ook al zou het niet veren, zoals verdachte stelt, het toch nog onder de definitie van ploertendoder valt.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
€ 15.915,32, bestaande uit € 5.915,32 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
€ 18.956,65, bestaande uit € 8.956,65 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijk rente over deze bedragen. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
€ 18.892,76, bestaande uit € 8.892,76 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen. Tevens heeft de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
- wijst toede vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/284808-20 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 30 september 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 1] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 1] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
- wijst toede vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/284808-20 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 10.915,32, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 30 september 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 2] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 2] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
- wijst toede vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 3], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/284808-20 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 13.956,65, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 30 september 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 3] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 3] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
- wijst toede vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 4], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/284808-20 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 13.892,76, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 30 september 2018 tot aan de dag van de volledige voldoening; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 4] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 4] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.