In deze zaak vorderen eiser en eiseres schorsing van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van 4 november 2021, waarin zij werden veroordeeld om een woning te ontruimen. De ontruiming was gepland op 30 november 2021. Eisers stellen dat het vonnis een misslag bevat en dat er geen volledige belangenafweging heeft plaatsgevonden, waardoor de uitvoerbaarheid bij voorraad onterecht is.
De voorzieningenrechter past het toetsingskader toe zoals geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). Hierbij geldt dat een vonnis in beginsel uitvoerbaar is, tenzij sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die een afwijking rechtvaardigen. De rechter concludeert dat het vonnis voldoende gemotiveerd is, dat er geen nieuwe feiten zijn aangevoerd die een noodtoestand rechtvaardigen, en dat geen kennelijke misslag is vastgesteld.
De stellingen van eisers over tegenstrijdigheden in het vonnis en onvoldoende aandacht voor hun omstandigheden worden verworpen. De procedure is niet geschikt voor een inhoudelijke herbeoordeling van de belangenafweging. De vordering tot schorsing wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.