ECLI:NL:RBLIM:2021:911

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 januari 2021
Publicatiedatum
4 februari 2021
Zaaknummer
C/03/287202 HARK 21-4
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid

In deze wrakingszaak heeft Taxi Horn Tours B.V. een verzoek ingediend tot wraking van rechter mr. H.H. Dethmers in een civiele procedure met zaaknummer 81518742 CV EXPL 20-2163. De wrakingskamer ontving het verzoek op 12 januari 2021 en stelde vast dat de rechter niet in de wraking berustte.

Verzoekster stelde dat de rechter en de rechtbank vooringenomen waren en dat de zaak onjuist werd behandeld, waarbij een vonnis werd gewezen zonder mogelijkheid tot het indienen van een conclusie van antwoord. Zij betoogde dat sprake was van vooringenomenheid, tegenstrijdige belangen, willekeur en ambtsmisbruik.

De rechter verwees naar een eerder wrakingsverzoek van verzoekster op 2 september 2020, dat op 10 december 2020 was afgewezen. De wrakingskamer oordeelde dat het nieuwe verzoek gericht was tegen dezelfde rechter en dezelfde procesbeslissing, zonder nieuwe feiten of omstandigheden. Daarom werd het verzoek afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.

Daarnaast bepaalde de wrakingskamer dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in deze procedure niet in behandeling zal worden genomen om misbruik van het wrakingsmiddel te voorkomen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid; geen nieuwe feiten aangevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/03/287202 HARK 21-4
Beslissing van 25 januari 2021 van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
in de zaak van
Taxi Horn Tours B.V.,
gevestigd te Horn,
vertegenwoordigd door M.H.W. Walraven,
(hierna ook te noemen: verzoekster),
indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:
mr. H.H. Dethmers, rechter in de rechtbank Limburg
(hierna ook te noemen: de rechter).

1.Het procesverloop

1.1.
Op 12 januari 2021 heeft de wrakingskamer een emailbericht ontvangen van de gemachtigde van verzoekster inhoudende een verzoek tot wraking van de rechter die de zaak met zaaknummer 81518742 CV EXPL 20-2163 in behandeling heeft, te weten mr. Dethmers.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft op 12 januari 2021 een schriftelijke reactie ingediend, die ter kennisneming aan verzoekster is gezonden.

2.Het standpunt van verzoekster

2.1.
Verzoekster voert, zakelijk weergegeven, aan dat de gemachtigde in de zaak met zaaknummer 81518742 CV EXPL 20-2163 navraag heeft gedaan naar de status. Gebleken is dat de zaak voor vonnis zou staan op 13 januari 2021. De gemachtigde wijst er op dat zowel de rechter als de wrakingskamer (die een beslissing heeft genomen op een eerder ingediend wrakingsverzoek in deze zaak) concluderen dat de zaak niet correct behandeld is en niet de schoonheidsprijs verdient. De gemachtigde geeft aan dat hem er alles aan is gelegen in deze zaak een conclusie van antwoord in te mogen dienen. Hij had om die reden verwacht dat de griffie of de rechter een herstel zou aanbieden en niet ‘stiekem’ een vonnis zou wijzen. Volgens de gemachtigde lijkt het er op dat de rechtbank en de rechter zeer vooringenomen zijn en niet haar eigen vlees wil keuren. De gemachtigde wraakt de rechter in deze zaak omdat een vonnis als gelegenheidsargument en gemak om dan maar van de zaak af te komen niet zomaar gewezen kan worden en er hier sprake is van vooringenomenheid, tegenstrijdige belangen, willekeur en ambtsmisbruik.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie aangegeven dat verzoekster op
2 september 2020 een wrakingsverzoek heeft gedaan, welk verzoek op 10 december 2020 door de wrakingskamer is afgewezen. Daarmee herleefde de beslissing die al genomen was, namelijk dat in de zaak vonnis gewezen zou worden. De beslissing om de zaak voor vonnis te stellen behoeft door de afwijzing van de wraking geen herziening. De rechter meent dat het verzoek moet worden afgewezen.

4.De beoordeling

4.1.
Uitgangspunt is dat een wrakingsverzoek op een zitting wordt behandeld.
De wrakingskamer kan echter het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren in de gevallen die zijn genoemd in onderdeel 4.2 at/m h van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg (hierna: het wrakingsprotocol).
4.2.
De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking van de rechter op grond van artikel 4.2, aanhef en onder f, van het wrakingsprotocol wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid zonder behandeling ter zitting aanstonds afwijzen, nu het een wrakingsverzoek betreft dat is gericht tegen dezelfde rechter en dezelfde procesbeslissing en verzoekster geen feiten of omstandigheden heeft voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan verzoekster bekend zijn geworden.
4.3.
De wrakingskamer ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster niet meer in behandeling wordt genomen. De reden hiervoor is dat het voldoende aannemelijk is dat verzoekster mogelijk opnieuw wrakingsverzoeken in zal dienen. In het belang van de voortgang van de procedure met zaaknummer 81518742 CV EXPL 20-2163 moet voorkomen worden dat verzoekster door een hernieuwd wrakingsverzoek misbruik maakt van het wrakingsmiddel. Een volgend wrakingsverzoek van verzoekster, betrekking hebbend op de procedure met voornoemd zaaknummer, zal dan ook niet in behandeling worden genomen.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de zaak met zaaknummer 81518742 CV EXPL 20-2163 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, mr. M.J.M. Goessen en
mr. V.P. van Deventer, leden, bijgestaan door mr. F.A.E. van de Venne als griffier.
De beslissing is openbaar gemaakt op 25 januari 2021.
De griffier is buiten staat deze beslissing mee te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.