Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 23 februari 2021;
- de brief van de vrouw, met bijlagen, van 2 april 2021;
- de mondelinge behandeling van 23 november 2021 waar zijn verschenen:
Rechtbank Limburg
De vrouw verzoekt de rechtbank om de ontkenning van het vaderschap van haar juridische vader, die inmiddels is overleden, gegrond te verklaren en het ouderschap van haar biologische vader vast te stellen. Hoewel de wettelijke termijn van drie jaar voor het indienen van een dergelijk verzoek ruim is overschreden, oordeelt de rechtbank dat de vrouw dit niet kan worden aangerekend vanwege haar complexe en emotioneel belastende familiesituatie.
De rechtbank weegt het belang van de vrouw om haar juridische situatie te laten aansluiten bij de biologische werkelijkheid en concludeert dat het handhaven van de termijn een ongerechtvaardigde inmenging vormt in haar recht op respect voor privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro). De moeder, die als belanghebbende was opgeroepen, is niet verschenen, en de juridische vader is overleden, waardoor de rechtszekerheid niet wordt geschaad.
De rechtbank acht het echter onvoldoende bewezen dat de juridische vader niet de biologische vader is en dat de vermeende biologische vader daadwerkelijk de vader is. Daarom wordt de vrouw toegelaten tot bewijslevering, waaronder een DNA-verwantschapstest, en wordt de beslissing over de verzoeken aangehouden voor drie maanden om dit bewijs te kunnen leveren.
De procedure wordt voortgezet nadat de vrouw het bewijs heeft geleverd, waarna de rechtbank een definitieve beslissing zal nemen over de ontkenning van het vaderschap, vaststelling van het ouderschap, naamswijziging en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank laat de termijnoverschrijding buiten toepassing en staat bewijslevering toe, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.