Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de inleidende dagvaarding aan de zijde van geopposeerde in conventie, gedaagde in reconventie, nader ook kortweg verhuurder te noemen, met producties,
- het verstekvonnis de dato 1 september 2021,
- de verzetdagvaarding aan de zijde van opposant in conventie, eiser in reconventie, nader ook kortweg huurder te noemen,
- de mondelinge behandeling de dato 25 november 2021,
- de ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling door de gemachtigde van verhuurder gehanteerde pleitnota.
2.De vaststaande feiten
- verhuurder is eigenaar/rechthebbende voor wat betreft een appartement aan de [adres] ;
- verhuurder heeft – door tussenkomst van een makelaar – dit appartement aan de [adres] per 13 mei 2019 aan huurder verhuurd; daarbij is een kale huur van € 690,00 per maand overeengekomen;
- op 16 oktober 2019 heeft huurder zich tot de huurcommissie gewend met een verzoek tot toetsing van deze aanvangshuur ad € 690,00 per maand; na vervaardiging van een rapport door de rapporteur, waarin met toepassing van het waarderingsstelsel voor woonruimte 93 punten werden becijferd en tevens geen in aanmerking komende gebreken werden vastgesteld, heeft de voorzitter van de huurcommissie dit rapport inhoudelijk overgenomen en de redelijke kale huurprijs vastgesteld op een bedrag van € 451,56 per maand;
- tegen deze beslissing van de voorzitter van de huurcommissie heeft verhuurder verzet aangetekend, terwijl dit verzet op 26 mei 2021 door de huurcommissie van de hand is gewezen;
- verhuurder heeft het resultaat van deze aanvangshuur toets door de huurcommissie vervolgens op voet van artikel 7: 262 burgerlijk wetboek in rechte aan de orde gesteld; aangezien huurder verstek heeft laten gaan, heeft dat geleid tot het hierboven aangeduide verstekvonnis de dato 1 september 2021;
- huurder stelt thans verzet in tegen dit verstek vonnis de dato 1 september 2021, terwijl hij tevens ook in reconventie terugbetaling van teveel betaalde huur aan de orde stelt.