ECLI:NL:RBLIM:2022:10031
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak gemeenteraadslid wegens ontbreken bepaald feit bij smaadschrift ten lastelegging
De rechtbank Limburg behandelde de zaak van een gemeenteraadslid dat werd verdacht van smaadschrift jegens een wethouder door uitlatingen op Facebook in april 2021. De tenlastelegging betrof het aantasten van de eer en goede naam van de wethouder door middel van geschriften.
De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding niet voldeed aan de eis van een bepaald feit zoals vereist in artikel 261, eerste lid, Sr, en dat de uitlatingen beschermd werden door de vrijheid van meningsuiting binnen het politieke debat. De officier van justitie stelde dat de uitlatingen niet onder de bescherming van artikel 10 EVRM Pro vielen en dat geen immuniteit van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat de teksten in de dagvaarding geen concrete, duidelijk te onderkennen gedragingen van de wethouder aanduidden, maar eerder eigenschappen en algemene beschuldigingen. Hierdoor ontbrak het aan een bepaald feit in de zin van artikel 261 Sr Pro, wat essentieel is voor bewezenverklaring van smaadschrift.
De rechtbank sprak de verdachte vrij omdat de tenlastelegging niet voldeed aan de wettelijke eisen. De rechtbank hoefde daardoor niet inhoudelijk in te gaan op de overige verweren. De uitspraak laat onverlet dat de uitlatingen als grievend kunnen worden ervaren, maar deze waren niet strafrechtelijk relevant binnen de tenlastelegging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat de tenlastelegging geen bepaald feit bevatte zoals vereist voor smaadschrift.