Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2022:10383

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
22 december 2022
Zaaknummer
ROE 21 / 2756
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na schikking in bijstandsuitkeringszaak

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van bijstandsuitkering en een boete opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Heerlen. Na een bezwaarprocedure heeft verweerder het terug te vorderen bedrag verlaagd, maar het beroep tegen het bestreden besluit is ingesteld.

Tijdens de procedure is tussen partijen een schikking bereikt in een hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, waarbij de terugvordering en boete zijn beperkt en partijen finale kwijting hebben verleend. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank overweegt dat proceskostenveroordeling alleen mogelijk is als verweerder in deze procedure tegemoet is gekomen aan het verzoek van verzoeker. De schikking bij de Centrale Raad van Beroep betreft een andere periode en procedure, en het bestreden besluit is niet gewijzigd of ingetrokken.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat de intrekking van het beroep niet voortkomt uit een tegemoetkoming in deze procedure, maar uit de schikking in het hoger beroep. De uitspraak is gedaan door rechter F.A.G.M. Vluggen op 23 december 2022.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de intrekking van het beroep niet voortkomt uit een tegemoetkoming in deze procedure.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 21 / 2756
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2022 op het verzoek om proceskostenveroordeling in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de bijstandsuitkering van verzoeker op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode 1 juni 2018 tot en met 31 maart 2019 ad € 14.511,29 (bruto) terug te vorderen, de aan verzoeker verstrekte uitkering in het kader van de Fit & Fun-regeling ad € 75,00 terug te vorderen en aan verzoeker een boete op te leggen van € 645,24. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 26 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de terug te vorderen bijstand en wel in die zin dat het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op € 11.991,58; voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.
Ten tijde van de onderhavige procedure zijn partijen tot een schikking gekomen in het kader van de hoger beroep procedure bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB 21 / 755) inzake de herziening en intrekking van het recht op bijstand over de periode 1 juni 2018 tot en met 5 februari 2019. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder bij brief van 24 oktober 2022 in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten.
Verweerder heeft hierop bij brief van 26 oktober 2022 gereageerd.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk
gegrond is.
2. Na kennis genomen te hebben van de stukken ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
3. De rechtbank stelt vast dat veroordeling van een partij in de proceskosten in bestuursrechtelijke gedingen is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Op grond van deze artikelen kan de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten (als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb) als daarom is verzocht. Daarbij is vereist dat verweerder geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan datgene wat de indiener van het beroepschrift wil(de).
4. Volgens verweerder is een proceskostenvergoeding in deze zaak niet aan de orde. Partijen zijn, op initiatief van de Centrale Raad van Beroep in de procedure 21 / 755, tot de volgende schikking gekomen: verweerder beperkt de vordering op verzoeker die uit het bestreden besluit is voortgevloeid tot een bedrag van € 3.645,24 (€ 3.000,00 terugvordering van de bijstand en € 645,24 voor de boete).
5. De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak geen reden is om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De intrekking van het beroep heeft niet plaatsgevonden omdat verweerder in deze procedure aan verzoeker is tegemoetgekomen. De schikking in 21 / 755 heeft betrekking op herziening van de uitkering over de periode 1 juni 2018 tot en met 5 februari 2019, alsmede over de intrekking vanaf 6 februari 2019. De periode hier in geding is de periode 1 juni 2018 tot en met 31 maart 2019, waarbij verweerder in het bestreden besluit heeft toegelicht dat de terugvordering over de periode 6 februari 2019 tot en met 31 maart 2019 voortvloeit uit de intrekking vanaf eerstgenoemde datum. Het bestreden besluit is door verweerder niet gewijzigd of ingetrokken. Wel zijn door de schikking ter zitting van de Centrale Raad van Beroep de gevolgen van de herziening en intrekking casu quo de terugvordering beperkt, waarbij partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend. De rechtbank kan dit niet anders verstaan dan dat deze finale kwijting ook de proceskosten in de onderhavige zaak raakt.
6. Gelet op het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, rechter, in aanwezigheid van
J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2022
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 23 december 2022
AC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.