3.6.Ter onderbouwing van haar verweer verwijst [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] naar een aantal getuigenverklaringen die als bijlagen aan het verweerschrift zijn gehecht. Bijlage 2 is een ondertekende verklaring van [naam collega 1] , die voor zover hier relevant als volgt luidt:
“
Tweede voorval:
[verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] zat in de week van 11 t/m 17 juli zittend vlees te snijden op 3 rode kratten. Ik heb hem daarop
aangesproken. Hier heeft hij niet naar geluisterd en is gewoon doorgegaan. Later heb ik [naam 1] (de
werkgever) over de situatie op de hoogte gesteld. Tijdens ons gesprek kwam [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] onze kant uit waarop [naam 1] hem aansprak. Kort daarna kwam ik [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] tegen in de sluis. Hier was [naam collega 2] ook bij. Hij was niet te spreken over het gesprek dat ik had met [naam 1] . [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] riep heel agressief: “Ik zal je wel eronder uit halen!” En: “Krijg de tyfus, ik steek je neer!” Dit voelde mij erg bedreigd en het kwam over alsof hij het echt meende. Daarom heb ik bij [naam 1] op kantoor alles uitgelegd. Hij gaf aan zelf ook het een en ander te hebben meegekregen en toen heeft hij [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] op het matje geroepen.
Ongeveer een kwartier later liep [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] langs mij. Hij riep tierend en woedend: “Ik zal je nog wel
krijgen! Je hebt je doodvonnis getekend! Ik zal je nog eens opwachten om met je af te rekenen!” Dit
voelde heel serieus en toen ik klaar was met werken, is daarom een collega meegelopen met mij
naar de auto op de parkeerplaats zodat ik zeker weten veilig wegging.”
De ondertekende verklaring van de heer [naam 1] [verweerster, verzoekster in het tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] (bijlage 3 bij het verweerschrift) luidt als volgt:
“
In de week van 11 t/m l7 juli kwam op een ochtend [naam collega 1] naar mij toe dat hij [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] had aangesproken
op het feit dat die zittend op kratten zat te snijden. [naam collega 1] gaf aan dat hij [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] daarop had aangesproken maar dat die lacherig reageerde en niets deed. Terwijl [naam collega 1] dit bij mij aangaf kwam
[verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] aanlopen en toen heb ik hem direct aangesproken. Ik heb gezegd dat dit niet de bedoeling is en
dat als hij niet kan staan, dat hij dan maar ander werk moet zoeken. De gedachte hierachter is dat we
nergens in het bedrijf (behalve op kantoor) zittende werkzaamheden hebben en dat een (leerling)
slager zittend niet het vlees kan snijden omdat je dan de juiste snijtechnieken niet kan hanteren.
Kort na bovenstaande situatie, toen ik in het magazijn stand, hoorde ik [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] in de sluis praten. Het
leek op ruzie en het klonk erg agressief. Ik hoorde duidelijk dat [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] tegen iemand zei: En ik steek je
neer!’ Toen kwam [naam collega 1] naar mij toe, zijn we naar kantoor gegaan en heeft hij verteld wat er nog
meer was gebeurd en dat dit zeker weten niet als grapje was bedoeld. Daarop heb ik [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] naar
kantoor laten komen en heeft de HR-medewerker het gesprek met hem gevoerd waarin het ontslag
heeft plaatsgevonden.
Ik wil een veilige werkomgeving en met zo’n dreigementen kan ik die niet garanderen. Overal liggen messen in onze werkomgeving.”
De ondertekende verklaring van collega [naam collega 2] (bijlage 4 bij verweerschrift) luidt:
“
Ik kwam binnen rond 10:00 uur. Toen zag ik [naam collega 1] en [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] in de sluis staan Hier hing een beetje een
gespannen sfeer. Toen ik mijn handen ging wassen kreeg ik mee dat [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] iets aan [naam collega 1] als een
sarcastisch bedankje gaf. Op een gegeven moment zei [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] : “Fuck you.”. Ik begreep dat dit was
omdat [naam collega 1] tegen [naam 1] zou hebben gezegd dat [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] op kratten zat te werken. Dit zei hij vrij rustig
maar vervolgens werd het schelden erger. [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] gebruikte woorden zoals klootzak, lul, mongool en
flikker. Dit was absoluut niet op een lacherige manier. Dat was zeker duidelijk. Helemaal toen hij ook
nog begon te schelden met kanker en krijg de tyfus. [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] liep daarna richting de horeca-afdeling.
Later kwam hij weer teruggelopen toen ik nog in de buurt was (magazijn) en toen zei [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] : “Kanker
[naam collega 1] , krijg de kanker, mongool.”
Het gevoel dat ik hier zelf bij kreeg was geschrokken, onprettig en dreigend.”
De ondertekende verklaring van collega [naam collega 3] (bijlage 7 bij het verweerschrift) luidt:
“
Ik hoorde zojuist in de wandelgangen over het voorval met [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] en [naam collega 1] .
Als het er op aan komt en jullie hebben een getuige nodig, ik hoorde [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] vlak voordat ie de deur uit liep, [naam collega 1] nogmaals bedreigen.
Ik zei tegen hem waarom ie nog niet weg was (zoals camerabeelden kunnen laten zien heeft ie nog een tijdje rond gelopen om afscheid te nemen van iedereen), en toen zei hij dat hij ging vertrekken maar eerst nog even [naam collega 1] ging bedreigen.
Hij zei dingen als: “Als ik jou was zou ik straks maar voorzichtig zijn als je straks naar buiten gaat, want ik doe je wat aan als je straks naar huis gaat.” En: “Ik steek je neer.” Hij noemde hem allerlei scheldwoorden: faggot, klootzak, lul, mongool. De sfeer was erg gespannen en intimiderend en het kwam op mij over alsof hij het echt meende en de bedreigingen serieus waren.”
De ondertekende verklaring van [naam 2] (bijlage 8 bij het verweerschrift) luidt:
“
Omtrent de gebeurtenis van [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] op het moment van de 1e bedreiging heb ik niks van meegekregen enigste wat ik mee kreeg van dat moment is dat [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] boos en geirriteerd de afdeling op kwam. Hij zei dat hij was ontslagen en dat dit een kutbedrijf is. Door hoe [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] sprak en liep ontstond er een erg vervelende sfeer waarbij eigenlijk niemand echt wist wat ze ermee moesten doen.
Wat ik wel weet is dat [naam collega 1] niet zomaar naar kantoor komt en dan beweerd dat iemand hem bedreigd. Ik ken [naam collega 1] nu bijna 6 jaar als werk collega.
Toen [verzoeker, verweerder en tegenverzoek en in het voorwaardelijke tegenverzoek] afscheid kwam nemen op de afdeling liep hij weg en hoorde ik hem nog zeggen tegen [naam collega 3] ik ga [naam collega 1] nog even bedreigen. Hierop heeft hij tegen [naam collega 1] gezegd dat hij moest oppassen na het werk als hij naar huis ging want het ging niet goed aflopen.”