ECLI:NL:RBLIM:2022:10658

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 september 2022
Publicatiedatum
1 februari 2023
Zaaknummer
C/03/300347 / JE RK 21-2578
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met toepassing Egyptisch hanefitisch recht

De rechtbank Limburg heeft op 1 september 2022 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2013, die sinds enige tijd bij een pleegmoeder verblijft. De gecertificeerde instelling Stichting NIDOS heeft het verzoek ingediend vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, veroorzaakt door het onvermogen van de moeder om voor hem te zorgen.

Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij de moeder, pleegmoeder en vader (telefonisch) aanwezig waren, is vastgesteld dat de vader het gezag behoudt volgens het Egyptisch hanefitisch recht, dat van toepassing is vanwege de geboorteplaats en religie van de ouders. De vader stemde in met het verblijf van de minderjarige bij de pleegmoeder, maar wenst omgang.

De rechtbank oordeelt dat verlenging noodzakelijk is omdat de moeder niet in staat is de verzorging en opvoeding op zich te nemen en de vader onvoldoende contact heeft gehad met de minderjarige. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 19 februari 2023, waarbij het belang van de minderjarige voorop staat.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 19 februari 2023.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Locatie Maastricht
Familie en jeugd
Zaaknummer: C/03/300347 / JE RK 21-2578
Datum uitspraak: 1 september 2022
Beschikking over een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING NIDOS Jeugdbescherming voor vluchtelingen, locatie Utrecht, hierna te noemen: de GI,
betreffende de minderjarige
[minderjarige], hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats 1] ;
[de pleegmoeder], hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres in het arrondissement Limburg;
[de vader] ,hierna te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats 2] .

1.Het (verdere) procesverloop

1.1.
Het verder verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 29 juli 2022.
1.2.
De mondelinge behandeling, met gesloten deuren, is voortgezet op 1 september 2022. Daarbij zijn verschenen:
-een vertegenwoordiger van de GI;
-de moeder, bijgestaan door een tolk in de Somalische taal;
-de pleegmoeder.
1.3.
De vader heeft via een telefonische verbinding zijn standpunt kenbaar
gemaakt.

2.De verdere beoordeling

Inleiding
2.1.
Bij de hiervoor genoemde beschikking van 29 juli 2022 heeft de kinderrechter met ingang van 19 augustus 2022 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 19 september 2022. Iedere verdere beslissing is aangehouden. De kinderrechter heeft dit gedaan, omdat nadere informatie noodzakelijk was om te kunnen beoordelen of de vader al dan niet als belanghebbende zou moeten worden aangemerkt en, als dat het geval zou zijn, hem in de gelegenheid te stellen de mondelinge behandeling (telefonisch) bij te wonen. Daarnaast was de moeder niet correct opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 29 juli 2022. De moeder heeft net als de GI en de pleegmoeder de mondelinge behandeling op 1 september 2022 wel bijgewoond. Ook de vader is bij een deel van de mondelinge behandeling aanwezig geweest en heeft zijn standpunt over het verzoek kenbaar gemaakt. De kinderrechter zal de ingenomen standpunten hierna bespreken en beoordelen.
Standpunt GI
2.2.
De GI heeft niet kunnen achterhalen of de ouders ten tijde van de geboorte van [minderjarige] getrouwd waren. Zij heeft via de ouders ook geen huwelijksakte kunnen krijgen. Beide ouders zeggen dat ze gehuwd waren ten tijde van de geboorte van [minderjarige] , maar dat ze de huwelijksakte niet meer hebben. [minderjarige] maakt een goede ontwikkeling door bij de pleegmoeder. [minderjarige] heeft nu om de week contact met de moeder, dat contact is inmiddels opgebouwd tot vier uur. [minderjarige] vindt het fijn om bij de moeder te zijn, maar zij is niet in staat om op sociaal-emotioneel gebied tegemoet te komen aan zijn behoeften. [minderjarige] krijgt geen warmte van de moeder. Daarnaast is zij ook overigens niet in staat de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Tegen de moeder is gezegd dat zij tijdens het contactmoment voor een lunch voor [minderjarige] moest zorgen, maar zij heeft hem alleen water en popcorn gegeven. Verder heeft de moeder nog steeds geen hulp gezocht voor haar. Op dit moment is nog steeds het doel dat [minderjarige] weer bij de moeder kan wonen, maar het is de vraag of dat nog haalbaar is. De maatregelen moeten nu in ieder geval voor de resterende termijn worden verlengd.
Standpunt moeder
2.3.
De moeder was met de vader gehuwd toen [minderjarige] werd geboren. De huwelijksakte heeft zij niet meer. De moeder stemt in met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende termijn.
Standpunt vader
2.4.
De vader is op 6 september 2012 met de moeder gehuwd. De vader heeft de huwelijksakte achtergelaten bij de moeder. Zij is die verloren. De vader stemt ermee in dat [minderjarige] bij de pleegmoeder verblijft, maar de vader wil wel graag omgang met [minderjarige] hebben als hij in Nederland is.
Standpunt pleegmoeder
2.5.
De pleegmoeder is het eens met het verzoek. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij heeft veel meegemaakt en hij vertoont soms wat moeilijk gedrag, maar in het algemeen heeft hij een positieve ontwikkeling doorgemaakt.
Oordeel kinderrechter
2.6.
Bij beschikking van 29 juli 2022 is het verzoek van de GI voor een beperkte termijn toegewezen. Hiervoor is al overwogen dat de beslissing over de resterende termijn is aangehouden om de GI in de gelegenheid te stellen een vertaalde en gelegaliseerde huwelijksakte van de ouders over te leggen. Een huwelijksakte is niet overgelegd. Wel blijkt uit de geboorteakte van [minderjarige] dat hij in [geboorteplaats] is geboren. De vader is blijkens die geboorteakte als vader van [minderjarige] geregistreerd. Verder blijkt uit de geboorteakte dat beide ouders moslim zijn. Om die reden moet de juridische (gezags)positie van de vader naar Egyptisch recht met toepassing van het hanefetisch rechtssysteem worden beoordeeld. Uit lid 1 van artikel 16 van Pro het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen
(Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996) volgt immers dat het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Volgens het hanefitische recht geldt dat de wettelijk vertegenwoordiger van een kind in beginsel een man is. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat de vader die wettelijke vertegenwoordiger is. Uit lid 3 van artikel 16 van Pro het Haags kinderbeschermingsverdrag volgt dat het op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. De vader is dus nog steeds met het gezag over [minderjarige] belast en hij is om die reden belanghebbende in deze procedure.
2.7.
In de beschikkingen van 13 januari 2022 en 29 juli 2022 is het toetsingskader voor de beoordeling van verzoeken zoals deze al geschetst. De kinderrechter verwijst daarnaar. De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan de gronden voor verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Die ernstige ontwikkelingsbedreiging is gelegen in het feit dat de moeder al jaren niet in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelf voor haar rekening te nemen, reden waarom [minderjarige] al jaren bij de pleegmoeder verblijft. Daar komt bij dat [minderjarige] jarenlang geen dan wel nauwelijks contact heeft met de vader, die in [woonplaats 2] woont, zodat [minderjarige] op dit moment ook niet bij hem kan wonen. De begeleiding en ondersteuning van de hulpverlening moet daarom worden voortgezet. Dit moet in het kader van een ondertoezichtstelling gebeuren, alleen al omdat het de moeder vanwege de aard en ernst van haar eigen problematiek niet lukt om een en ander zelf in het vrijwillig kader te regelen.
2.8.
Hoewel het de vraag is of de moeder binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn in staat is de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding te dragen, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen. De kinderrechter realiseert zich dat de wetgever eist dat, om de ondertoezichtstelling te kunnen verlengen, de verwachting dat de moeder hiertoe in staat is gerechtvaardigd moet zijn. Het zou echter in strijd zijn met de belangen van [minderjarige] als op dit punt naar de letter van de wet zou worden geoordeeld. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt tevens dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [minderjarige] kan immers niet bij een van zijn ouders wonen. De slotsom is dus dat het verzoek ten aanzien van de resterende termijn zal worden toegewezen.

3.De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 september 2022 tot
19 februari 2023;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 19 september 2022 voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot
19 februari 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.H.J. Lafghani, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2022 en op schrift gesteld op
15 september 2022.
F.B.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.