AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens uitblijven beslissing rechter-commissaris in schuldsaneringsregeling
De rechtbank Limburg behandelde een beroep van een schuldenaar tegen het uitblijven van een beslissing van de rechter-commissaris in haar wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De schuldenaar had verzocht om de bewindvoerder op te dragen geen boedelvorderingen te innen, maar de rechter-commissaris had niet tijdig op dit verzoek beslist.
De schuldenaar stelde dat zij ontvankelijk moest worden geacht in haar beroep, omdat de rechter-commissaris op grond van artikel 317 FaillissementswetPro binnen drie dagen had moeten beslissen. De rechtbank overwoog dat de wettelijke termijn een aansporing is, maar dat het uitblijven van een beslissing geen rechtsgevolg heeft en niet gelijkstaat aan een afwijzing.
De rechtbank verwees naar een arrest van de Hoge Raad waarin een soortgelijke termijn voor faillissementen werd besproken en concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is. Een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en de kosten kon daardoor niet plaatsvinden.
De beschikking werd gegeven door drie rechters en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het uitblijven van een beslissing van de rechter-commissaris geen voor beroep vatbare beslissing is.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rekestnummer: C/03/308583 / HA RK 22-223
Beschikking van 9 december 2022
in de zaak van
[appellante],
wonend te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat mr. Q.J. van Riet,
tegen (het uitblijven van) de beschikking namens de rechter-commissaris mr. P. Hoekstra (hierna: de rechter-commissaris) in de schuldsaneringsregeling van [appellante] (hierna: [appellante] ).
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift ex artikel 315 FaillissementswetPro (Fw) met bijlagen 1 en 2, ter griffie ontvangen op 23 augustus 2022,
- het e-mailbericht van de rechter-commissaris van 24 november 2022 met daarin zijn beslissing van 23 augustus 2022,
- de mondelinge behandeling van 29 november 2022.
1.2.
Ter zitting is verschenen:
- [appellante] , vertegenwoordigd door mr. Van Riet.
2.De feiten
2.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 31 mei 2022 is [appellante] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) met benoeming van mr. P. Hoekstra tot rechter-commissaris en aanstelling van [naam bewindvoerder] tot bewindvoerder (insolventienummer
C/03/22/48 R).
2.2.
Op 8 augustus 2022 heeft [appellante] de rechter-commissaris verzocht de bewindvoerder op te dragen [appellante] niet langer te verplichten boedelvorderingen te innen. De rechter-commissaris heeft hier, ondanks herhaaldelijk rappel van [appellante] , niet tijdig op beslist.
2.3.
Op 22 augustus 2022 heeft mr. Van Riet telefonisch contact gehad met de rechtbank. Naar aanleiding van dat gesprek is onderhavig beroepschrift ingediend.
2.4.
De rechter-commissaris heeft op 23 augustus 2022 een beslissing genomen op het verzoek van 8 augustus 2022. In de beslissing is onder meer als volgt bepaald:
“ In reactie op uw mail van 8 augustus 2022 deel ik u namens de rechter-commissaris mee dat de Wsnp-bewindvoerder de vorderingen die de boedel op derden heeft, kan instellen. Ze kan niet uw cliënte opdragen om die vorderingen in te stellen. Noch de vorderingen van vóór de schuldsaneringsregeling, nóch die zijn ontstaan of zullen ontstaan tijdens de schuldsaneringsregeling.”
3.Het beroep en de gronden
3.1.
[appellante] heeft verzocht te bepalen dat zij niet verplicht is boedelvorderingen op haar dochter en schoonzoon te innen. Tevens heeft zij verzocht te bepalen dat de kosten ad € 156,00, zijnde de eigen bijdrage van de door de Raad voor Rechtsbijstand afgegeven toevoeging voor dit hoger beroep, via de schuldsaneringsregeling aan haar dienen te worden vergoed.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Van Riet bepleit dat [appellante] , hoewel de rechter-commissaris ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog geen beslissing had genomen op haar oorspronkelijk verzoek, toch ontvankelijk moet worden geacht in dit hoger beroep. De rechter-commissaris had immers op grond van artikel 317 FwPro binnen drie dagen moeten beslissen op het verzoek van [appellante] . Deze termijn is wettelijk voorgeschreven, terwijl op overschrijding geen sanctie is gesteld. [appellante] wenst door middel van dit beroep duidelijkheid te verkrijgen of bij het uitblijven van een beslissing van de rechter-commissaris aangenomen mag worden dat het verzoek van de schuldenaar is afgewezen en dat dit een voor beroep vatbare beslissing is. Voorts heeft mr. Van Riet gesteld dat, gelet op de inhoud van de beslissing van de rechter-commissaris van 23 augustus 2022, het belang van [appellante] bij deze procedure nog ligt in een uitspraak over de kosten van het beroep.
4.De beoordeling
4.1.
Ten aanzien van de vraag of verzoekster ontvankelijk is in het hoger beroep, verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 1985 (NJ 1985, 793). Daarin heeft de Hoge Raad kort gezegd overwogen dat aan overschrijding van de driedagentermijn van artikel 69, tweede lid Fw geen rechtsgevolg is verbonden. De rechtbank is van oordeel dat aan overschrijding van de driedagentermijn van artikel 317, tweede lid Fw, ook geen rechtsgevolg is verbonden. Daartoe is allereerst van belang dat artikel 317 (dat voor schuldsaneringen geldt) overeenstemt met artikel 69 FwPro (dat voor faillissementen geldt). Ten tweede blijkt niet dat de wetgever met de driedagentermijn in artikel 317 FwPro een andere bedoeling had dan met de driedagentermijn in artikel 69 FwPro (namelijk een aansporing om met bekwame spoed op een verzoek te beslissen). Daartoe vindt de rechtbank steun in de wetsgeschiedenis bij artikel 317 FwPro (Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 52). Tot slot rept artikel 317 FwPro, net als artikel 69 FwPro, niet over enig rechtsgevolg. Het uitblijven van een beslissing kan niet gelijk worden gesteld aan een afwijzing en dus een voor appel vatbare beslissing. Verzoekster zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in haar beroep.
4.2.
Aan een beslissing omtrent de kosten komt de rechtbank niet meer toe.
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. T. Dohmen, mr. E.V.L. Heuts en mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken. [1]