Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
feit 1) en dat zij deze auto heeft beschadigd
(feit 2). Door met kracht tweemaal in te rijden op de auto waarin [slachtoffer] zat, bestond er een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar gewond zou raken, welke kans de verdachte heeft aanvaard, zodat sprake is van een poging tot zware mishandeling (
feit 1 primair). Dat de verdachte de plaats van een ongeval heeft verlaten (
feit 3), acht de officier van justitie bewezen op grond van de aangifte en op de grond van de verklaring van [slachtoffer] .
feit 1),dat zij hierbij deze auto heeft vernield (
feit 2) en dat zij vervolgens schade heeft toegebracht aan een lantaarnpaal en is weggereden (
feit 3). Ten aanzien van het bewijs overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.
primair) dan wel een bedreiging
(subsidiair). Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit zou blijken dat de verdachte daadwerkelijk de intentie had om [slachtoffer] zwaar te verwonden. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door haar gedragingen in voorwaardelijke zin opzet kan hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.
2.
op 27 januari 2021in de gemeente Brunssum, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, toebehorende aan [firma] , heeft vernield;
3
zij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt (te weten een botsing met een lantaarnpaal), welke gedraging zij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Brunssum op/aan de [adres 1] , op 27 januari 2021de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist aan een ander (te weten [naam bedrijf] ) schade was toegebracht.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 811,52, bij niet-betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen gijzeling, met dien verstande dat deze gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;