Op 5 november 2021 kreeg appellant een gedragsaanwijzing opgelegd die hem verbood zich in bepaalde gebieden te bevinden en contact te hebben met zijn ex-partner en zonen. Deze gedragsaanwijzing werd op 17 januari 2022 door de officier van justitie verlengd voor nog eens 90 dagen. Appellant maakte bezwaar tegen deze verlenging, stellende dat er geen ernstige bezwaren meer tegen hem bestonden en dat hij niet gehoord was voorafgaand aan de verlenging. Tevens voerde hij aan dat de verlenging niet meer voldeed aan proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie bevoegd was tot verlenging omdat er ernstige bezwaren bestonden en de strafzaak op 16 maart 2022 zou worden behandeld. Echter ontbrak in het besluit tot verlenging elke motivering en was appellant niet gehoord, waardoor niet kenbaar was op welke gronden de verlenging was gebaseerd. Dit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsvereiste. Hoewel er geen wettelijke verplichting bestaat om appellant vooraf te horen, is dit wel de juiste procedure in het kader van zorgvuldigheid.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de verlenging van de gedragsaanwijzing. Hiermee werd het besluit van de officier van justitie onrechtmatig bevonden omdat het niet voldeed aan de vereisten van hoor en wederhoor en motivering.