ECLI:NL:RBLIM:2022:1606

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 maart 2022
Publicatiedatum
1 maart 2022
Zaaknummer
ROE 21/2597
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens ontbreken van machtiging in bestuursrechtelijke procedure

Opposant heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar, maar de rechtbank heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging. In het verzet is aangevoerd dat de machtiging wel in het dossier aanwezig zou zijn of in een ander dossier, maar de rechtbank oordeelt dat het aan opposant is om de machtiging te overleggen en niet aan de rechtbank om deze te zoeken.

De rechtbank heeft het verzet beoordeeld en geconcludeerd dat er geen machtiging is overgelegd in het onderhavige dossier en dat opposant niet heeft aangegeven in welk ander dossier de machtiging zich zou bevinden. Andere aangevoerde punten door opposant, zoals juiste adressering, tijdige indiening van bezwaar en beroep, en verzoeken om griffiekostenvrijstelling, zijn niet relevant voor de vraag of een machtiging is overgelegd.

Daarom blijft de uitspraak van 27 januari 2022, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard, ongewijzigd. Het verzet wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging, waardoor het beroep niet-ontvankelijk blijft.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 21/2597 V

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2022 op het verzet van

D.A.N. Bartels, beweerdelijk handelend namens
Stichting tot Behoud van Monumenten Laurentius en Petronella, te Amsterdam, opposant.

Procesverloop

Opposant heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen van 25 juni 2021 (de bestreden uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 27 januari 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om over de onderhavige verzetzaak op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat opposant, ondanks meerdere verzoeken hiertoe van de rechtbank, geen machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij door een (of meer) van de daartoe bevoegde personen gemachtigd is namens Stichting tot Behoud van Monumenten Laurentius en Petronella beroep in te stellen tegen de bestreden uitspraak op bezwaar.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant heeft in het verzetschrift ten aanzien van de machtiging aangevoerd dat deze reeds deel uitmaakt van de dossiers die de rechtbank heeft ten aanzien van Stichting tot Behoud van Monumenten Laurentius en Petronella. Bovendien stelt opposant dat de machtiging nogmaals (al dan niet in kopie) is bijgevoegd.
4. De rechtbank stelt vast dat opposant in het onderhavige dossier geen machtiging heeft overgelegd. De rechtbank stelt tevens vast dat opposant niet heeft aangegeven in welke andere zaak (ander zaaknummer) zich de machtiging voor de onderhavige procedure bevind. Aangezien het aan opposant is de machtiging te overleggen en niet aan de rechtbank om deze te zoeken, heeft de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
5. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat opposant in zijn verzetschrift nog een scala van andere punten benoemt, zoals het feit dat hij de juiste adressering heeft vermeld, dat zowel het bezwaar- als beroepschrift tijdig is ingediend, dat er vanwege de covidpandemie rekening gehouden moet worden met bijzondere omstandigheden bij het verdelen van de (huur)lasten, dat hij vrijstelling van het griffiegeld heeft gevraagd en dat de rechtbank bij het plannen van haar zittingen rekening moet houden met zijn agenda, alsmede met de planning van (de griffiers van) de andere rechtbanken en gerechtshoven in Nederland en dat hij pleit voor snellere digitalisering bij de rechtbank. Deze punten zien echter niet op de vraag of opposant wel of geen machtiging heeft overgelegd. De rechtbank ziet ook hierin dus geen reden anders te oordelen dan in de uitspraak van 27 januari 2022.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen in de bodemzaak op: 3 maart 2022

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.