ECLI:NL:RBLIM:2022:1686
Rechtbank Limburg
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schorsing tenuitvoerlegging gevangenisstraf na hoger beroep
Verzoeker is bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het gebruik van een vervalst identiteitsbewijs en valsheid in geschrifte. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld en verzoeker verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van de straf.
De voorzieningenrechter heeft tijdens de zitting vastgesteld dat verzoeker op 9 februari 2018 een dagvaarding heeft ontvangen, waarbij een tolk in de Turkse taal de dagvaarding heeft vertaald. Verzoeker heeft de ontvangst van de dagvaarding bevestigd en verklaard op de hoogte te zijn van de tenlastelegging en zijn rechten.
Hoewel verzoeker stelde niet van de zittingsdatum op de hoogte te zijn, acht de voorzieningenrechter dit onwaarschijnlijk gezien de vertaling van de dagvaarding en de aanwezigheid van een Franse vertaling die naar het adres van verzoeker is gestuurd. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen gegronde reden is om aan te nemen dat de betekening nietig is en weigert daarom de schorsing van de tenuitvoerlegging van de straf.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt afgewezen.