Eiser, woonachtig in het buitenland, vroeg een algemene bijstandsuitkering aan op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 1). Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet in Nederland woont en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde in beroep dat de Tozo-uitkering ten onrechte als sociale bijstand werd aangemerkt en verwees naar een Europese Commissie-brief die de uitkering als bijzondere prestatie binnen de EU-verordening kwalificeert.
De rechtbank oordeelde dat de Tozo-uitkering kwalificeert als sociale bijstand en niet als sociale zekerheid in de zin van Verordening (EG) 883/2004. De rechtbank baseerde zich op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2020 en eerdere jurisprudentie van de rechtbank Limburg. Ook de brief van de Europese Commissie van 10 november 2020 bevestigt dat de Tozo-uitkering buiten de materiële werkingssfeer van de verordening valt.
Daarom kan eiser geen recht op export van de Tozo-uitkering naar een andere lidstaat ontlenen. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.