De curator in het faillissement van een Duitse gefailleerde vordert dat de rechtbank Flora, een Zwitserse rechtspersoon, beveelt om hypotheekinschrijvingen op Nederlandse registergoederen door te halen. Flora had deze hypotheken verkregen bij de overname van vorderingen van een bank op de gefailleerde.
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De curator betoogt dat Flora geen vorderingen meer heeft op de gefailleerde, waardoor de hypotheekrechten zijn geëindigd. Flora voert aan dat de koopsom van de hypotheken door haar is betaald, maar de rechtbank concludeert dat deze betalingen feitelijk door de gefailleerde zijn gedaan, zonder voldoende bewijs van een geldlening tussen Flora en de gefailleerde.
De rechtbank weegt de bewijsstukken, waaronder de notariële akte en correspondentie, en oordeelt dat Flora geen bestaande vordering heeft die door de hypotheken wordt gedekt. Hierdoor zijn de hypotheekrechten tenietgegaan. Flora wordt veroordeeld om binnen tien dagen de hypotheekinschrijvingen te laten doorhalen en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.