Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenvonnis van 16 juni 2021,
- de akte van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] van 11 augustus 2021 met twee producties,
- de akte van [gedaagde in conventie en reconventie] van 6 oktober 2021 met producties 14 en 15,
- de akte van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van 6 oktober 2021 met producties 357 en 358.
2.De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
Dit vonnis
verdereaanspraak op rente’ (onderstreping door de rechtbank). De conclusie die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hieraan verbindt, is dat er over de vordering van de kinderen in het geheel geen rente verschuldigd is. Die conclusie, die zou betekenen dat de bepaling dat de vordering wordt vermeerderd met 5% zinledig is, berust op een andere uitleg van het testament dan die de rechtbank aanhoudt. De rechtbank is ervan uitgegaan dat in het testament is vastgelegd dat de rentevergoeding niet méér zou kunnen bedragen dan 5%. Van een beslissing die berust op een kennelijk onjuiste juridische of feitelijke grondslag is geen sprake, zodat de rechtbank niet zal terugkomen op haar eerdere beslissing.
(30 maart 2022). De waardering van de verschillende reeds vastgestelde inbrengplichten leidt aldus tot het volgende overzicht: