De rechtbank Limburg behandelde op 5 april 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van ontucht met een minderjarige. Het slachtoffer verklaarde dat verdachte een van de mannen was die ontucht met haar pleegde, waaronder seksueel binnendringen. De officier van justitie achtte dit bewezen, terwijl de verdediging stelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer helder en consistent was, maar dat deze onvoldoende werd ondersteund door ander bewijsmateriaal uit een onafhankelijke bron. Getuigenverklaringen en DNA-sporen van andere personen boden geen steun voor de betrokkenheid van verdachte. Het enkele feit dat het telefoonnummer van verdachte genoemd werd, was onvoldoende als bewijs.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering wegens de vrijspraak. De rechtbank benadrukte dat in zedenzaken het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van het slachtoffer kan steunen, maar door ondersteunend bewijs gestaafd moet worden.