ECLI:NL:RBLIM:2022:3174

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 april 2022
Publicatiedatum
22 april 2022
Zaaknummer
04 9536982/21-5651
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:74 BWArt. 6:76 BWArt. 6:162 BWArt. 6:170 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens eigen schuld bij beschadiging zoldervloer tijdens verhuizing

Partijen sloten een verhuisovereenkomst voor juni 2021. Tijdens het verplaatsen van goederen door een medewerker van gedaagde werd de zoldervloer beschadigd. De schade werd vastgesteld op € 2.613,60. Eisende partij vorderde vergoeding van deze schade en bijkomende kosten, stellende dat gedaagde aansprakelijk was wegens onzorgvuldig handelen.

Gedaagde voerde verweer dat zij niet aansprakelijk was omdat zij niet op de hoogte was van de slechte staat van de zolder en dat eisende partij geen waarschuwing had gegeven. De rechtbank liet de vraag naar aansprakelijkheid in het midden, maar oordeelde dat de eigen schuld van eisende partij op grond van artikel 6:101 BW Pro doorslaggevend was. Eisende partij had immers zelf gevraagd om spullen op een kennelijk ongeschikte zolder te plaatsen en had de staat van de zolder moeten kennen.

Daarom werd de vordering afgewezen en werd eisende partij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens eigen schuld van eisende partij.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 9536982 \ CV EXPL 21-5651
Vonnis van de kantonrechter van 20 april 2022
in de zaak van:
[eiser],
wonend [straatnaam eiser] ,
[postcode eiser] [woonplaats eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. P.N. Meijer, DAS Rechtsbijstand,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. B.M. Stroetinga.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de conclusie van repliek
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een verhuisovereenkomst gesloten voor een verhuizing in juni 2021. Aan deze overeenkomst ligt een offerte d.d. 26 mei 2021 ten grondslag.
2.2.
Een medewerker van gedaagde partij heeft een kledingrekje, een koffer en een sporttas de zolder opgeschoven, zonder dat daarbij de zolder is betreden. Later is de medewerker door eisende partij gevraagd om ook enkele dozen op zolder te zetten. Bij het betreden van de zolder hoorde de medewerker een krakend geluid en is de vloer bezweken/ontwricht. Hiervan is een schadeformulier opgemaakt.
2.3.
Gedaagde partij heeft de schade bij haar verzekeraar gemeld. Deze heeft de schade afgewezen bij brief van 28 juli 2021. Als reden hiervoor geeft de verzekeraar aan dat gedaagde partij niet kon en behoefde te weten dat een gedeelte van de zolder niet dragend was. Dat de vloer op de zolder een gevaarlijke situatie opleverde, kon gedaagde partij niet weten volgens de verzekeraar.
2.4.
Eisende partij heeft de schade door een aannemer laten opnemen. De herstelkosten bedragen € 2.613,60.

3.Het geschil

3.1.
Eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 2.613,60 aan hoofdsom en de rente daarover, € 386,36 aan buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Eisende partij stelt dat gedaagde partij aansprakelijk is voor de ontstane schade omdat zij niet zorgvuldig is geweest. Als grondslag geldt daarom 6:74 BW of 6:162 BW. Onrechtmatig schade veroorzaken bij het uitvoeren van een overeenkomst is een tekortkoming.
3.3.
Gedaagde partij voert verweer en stelt zich op het standpunt dat in de dagvaarding geen rechtsgrond voor de vordering is genoemd. Verder was het gedaagde partij niet bekend dat de zolder niet begaanbaar was. Eisende partij heeft daarover geen opmerking gemaakt of waarschuwing geuit. Dit was ook niet duidelijk kenbaar. Gedaagde partij is daarom van mening op basis van artikel 8:1170 BW Pro noch op basis van artikel 6:74 BW Pro juncto 6:76 BW aansprakelijk te zijn.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Eisende partij vordert betaling van de door haar geleden schade die is ontstaan omdat de medewerker van gedaagde partij op de vloer van de zolder is gestapt waardoor deze is ontwricht/bezweken.
4.2.
De kantonrechter zal de door partijen mede opgeworpen vraag naar een zich aandienende aansprakelijkheidsgrond in het midden laten. Er kan overigens sprake zijn van zowel een contractuele grond voor aansprakelijkheid (artikel 8:1173 BW Pro, foute plaatsing verhuisde goederen ter bestemde plaatse, en dan: door hulppersoon, artikel 6:76 BW Pro) ofwel ook een buitencontractuele grond (artikel 6: 162 BW, zaaksbeschadiging, in verband gezien met artikel 6:170 BW Pro, de fout van een ondergeschikte).
4.3.
In beide gevallen en ook al uitgaand van aansprakelijkheid van gedaagde partij dient vervolgens nog bepaald te worden of er sprake is van - door gedaagde partij subsidiair opgeworpen – eigen schuld van eisende partij (artikel 6:101 BW Pro). Te dien aanzien is de kantonrechter hoe dan ook al van oordeel dat het verzoek van eisende partij om de dozen op de kennelijk niet zonder meer daartoe geschikte zolder te plaatsen primair oorzakelijk is geweest voor het optreden van de schade. Niet valt immers in te zien dat deze plaatsing ook zonder verzoek/aanwijzing van eisende partij hoe dan ook al door gedaagde partij c.q. haar medewerkers op deze concrete wijze ter hand zou zijn genomen. Voor een billijkheidscorrectie, zoals vervolgens in artikel 6:101 BW Pro voorzien, is verder geen goede grond aanwezig. Eisende partij mag immers (zeker vanwege de kennelijk reeds op de vliering aanwezige opslag c.q. de daar aanwezige, door eisende partij te ontsteken lamp) bekend worden verondersteld met de staat en toestand van haar eigen vliering, zodat het op haar weg heeft gelegen de medewerkers van gedaagde partij daarmee bekend te maken in het kader van haar verzoek (toch) spullen op de vliering te plaatsen.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt, terwijl de afhankelijke nevenvorderingen dit lot hebben te delen.
4.4.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op € 436,00 (2 x tarief € 218,00) als salaris voor de gemachtigde.
De gevorderde nakosten worden, met inachtneming van de richtlijnen van het LOVCK, toegewezen op de hierna in het dictum te vermelden wijze.
4.2.
De kantonrechter zal dit vonnis enkel ten aanzien van de kosten uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij gevallen en tot op heden begroot op € 436,00,
5.3.
veroordeelt eisende partij onder de voorwaarde dat deze niet binnen twee weken na aanschrijving door gedaagde partij volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 109,00 aan salaris gemachtigde,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,
5.4.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de kosten uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.
type: PLG
coll: