Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 21 april 2022;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 18 april 2021.
[naam 5]hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: [3]
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte
terbeschikkingstellingvan de verdachte,
met bevel tot verpleging van overheidswege;
[slachtoffer 7], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 5.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 7] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 8], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 4.031,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- wijstde vordering
voor het overige af; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 8] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 8] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 8] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen,
[slachtoffer 9], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 9] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 10], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 10.955,22, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- wijstde vordering
voor het overige af; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 10] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 10] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 10] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 11], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 11] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 11] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 12], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 10.546,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- verklaartde vordering
voor het overige niet-ontvankelijk; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 12] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 12] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 12] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 6], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 4.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- verklaartde vordering
voor het overige niet-ontvankelijk; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 6] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 6] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 2], ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 50,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- verklaartde vordering
voor het overige niet-ontvankelijk; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 2] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 2] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 3]ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
€ 50,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 21 april 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- verklaartde vordering
voor het overige niet-ontvankelijk; - veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van de [slachtoffer 3] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 3] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Beslag
verklaart verbeurdde volgende ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 in beslag genomen voorwerpen:
gelast de teruggavevan de volgende ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/109953-21 in beslag genomen voorwerpen aan verdachte: