ECLI:NL:RBLIM:2022:4237

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
1 juni 2022
Zaaknummer
03/220644-20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens ontbreken strafrechtelijk belang

De rechtbank Limburg behandelde op 18 mei 2022 de ontnemingsvordering tegen verdachte, die tevens werd veroordeeld in een strafzaak. De officier van justitie vorderde vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en betaling daarvan aan de staat, geschat op €72.140,58, verkregen uit strafbare feiten waaronder verduistering en witwassen.

Tijdens de zitting stelden zowel de officier van justitie als de verdediging dat door een civiele schikking tussen verdachte en haar oud-werkgever, waarbij verdachte een bedrag van €54.000 moest betalen, het doel van de ontnemingsvordering reeds was bereikt. Deze schikking waarborgde dat het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel ongedaan werd gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat het strafrechtelijk belang voor oplegging van de ontnemingsmaatregel ontbreekt, omdat de civiele regeling het financieel voordeel effectief neutraliseert. Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Limburg op 1 juni 2022, na een eerdere veroordeling van verdachte wegens verduistering, medeplegen van verduistering en witwassen in de periode van juli 2017 tot januari 2019.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering wegens ontbreken van strafrechtelijk belang.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03/220644-20 (ontneming)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 1 juni 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [adresgegevens verdachte] ,
hierna te noemen: [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. S. Weening, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 mei 2022. [verdachte] en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/220644-20. Op 1 juni 2022 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op 72.140,58 euro.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.

3.De beoordeling

3.1
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat, gelet op de schikking die in de civiele procedure tussen [verdachte] en [naam bedrijf] is getroffen, er geen belang is meer bestaat om een maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr op te leggen.
3.2
Het oordeel van de rechtbank
Bij voormeld vonnis d.d. 1 juni 2022 is [verdachte] onder meer veroordeeld wegens:
  • verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, van een bedrag van 18.754,71 euro;
  • medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, van een bedrag van 903 euro;
  • witwassen van een geldbedrag,
alle feiten gepleegd in de periode van 19 juli 2017 tot en met 11 januari 2019.
Ter terechtzitting is gebleken dat in een civiele procedure die door haar oud-werkgever [naam bedrijf] tegen [verdachte] was aangespannen een schikking is getroffen. Op grond van die schikking is [verdachte] gehouden een bedrag van 54.000 euro aan [naam bedrijf] te betalen, welk bedrag wordt verhoogd tot 80.000 euro indien [verdachte] de overeengekomen betalingsregeling niet nakomt.
De rechtbank overweegt dat het doel van een ontnemingsvordering is om het financieel voordeel verkregen door middel van strafbare feiten ongedaan te maken, anders gezegd dat de vermogenssituatie van de veroordeelde weer in een rechtmatige toestand wordt gebracht. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het door de officier door middel van haar vordering nagestreefde doel, wat daarvan in concreto ook zij, reeds is bereikt door de schikking die in de civiele procedure is getroffen. Deze schikking is kennelijk zo geredigeerd dat gewaarborgd is dat het door de officier van justitie aannemelijk geachte genoten wederrechtelijk verkregen voordeel ook daadwerkelijk te niet wordt gedaan, nu die schikking een hoger bedrag betreft dan het totaal van de door de rechtbank bij [verdachte] en [medeverdachte] bewezenverklaarde verduisterde bedragen. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie, zoals zij zelf ook heeft gesteld, geen strafrechtelijk belang meer heeft bij oplegging van een maatregel zoals gevorderd. De rechtbank zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie
niet-ontvankelijkin de vordering.
Deze uitspraak is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. P.W.E.C. Pulles en
mr. drs. J.M.A. van Atteveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2022.
Mr. M.J.A.G. van Baal is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.