Eiser ontving sinds 1997 een WAZ-uitkering met toeslag. Verweerder startte in 2018 een onderzoek naar mogelijke onjuiste informatie over betrokkenheid van eiser bij hennepteelt en meubelzaken van zijn echtgenote. Eiser weigerde verklaringen af te leggen en beriep zich op zijn verschoningsrecht.
Verweerder trok daarop de uitkering met terugwerkende kracht per 31 mei 2006 in, omdat niet kon worden vastgesteld of eiser recht op uitkering had. Eiser betwistte de aantijgingen en leverde medische stukken ter onderbouwing, die de rechtbank niet in behandeling nam wegens te late indiening.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn inlichtingenplicht niet behoorlijk was nagekomen, waardoor verweerder het recht op uitkering niet kon vaststellen. De intrekking van de uitkering en toeslag was daarom terecht. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.