Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[naam onderbewindgesteld],
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een executiegeschil over de ontruiming van een woning die sinds 2011 wordt gehuurd door een onderbewindgestelde. De huurovereenkomst was ontbonden bij vonnis van 1 juni 2022, waarna de verhuurder een ontruiming aankondigde voor 28 juni 2022. De bewindvoerster vordert schorsing van de ontruiming zolang het hoger beroep loopt, stellende dat het vonnis feitelijke en juridische misslagen bevat, onder meer over de oorzaak van een brand en de bewijslastverdeling.
De rechtbank overweegt dat een vonnis in principe uitvoerbaar is zolang het hoger beroep loopt, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. De gestelde feitelijke misslagen vereisen een inhoudelijke bewijswaardering die niet in een executiegeschil kan worden gedaan. Ook de juridische misslagen worden niet als kennelijk onjuist beoordeeld. De rechtbank weegt het belang van de verhuurder om een veilige woonomgeving te waarborgen zwaarder dan het belang van de huurder, die ondanks financiële kwetsbaarheid en langdurig verblijf herhaaldelijk branden veroorzaakte en de woning niet opruimt.
De vorderingen tot schorsing van de ontruiming worden afgewezen. De bewindvoerster wordt veroordeeld in de proceskosten. Hiermee bevestigt de rechtbank het belang van de uitvoerbaarheid van vonnissen en de beperkte rol van executiegeschillen om verkapt hoger beroep te voorkomen.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en de bewindvoerster wordt veroordeeld in de proceskosten.