ECLI:NL:RBLIM:2022:4947
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot wijziging vrijheidsbeperkende maatregel wegens ontbreken wettelijke grondslag
De zaak betreft een vordering van de advocaat-generaal tot wijziging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, waarbij het gebiedsverbod voor de veroordeelde zou worden uitgebreid van de plaats Kerkrade naar de gehele regio Parkstad.
De advocaat-generaal baseerde de vordering op een proces-verbaal waaruit bleek dat het oorspronkelijke locatieverbod niet meer afdoende zou zijn, omdat het slachtoffer naar elders in de regio Parkstad was verhuisd. Hoewel erkend werd dat er momenteel geen wettelijke grondslag is voor de wijziging, wees de advocaat-generaal op een wetsvoorstel dat deze mogelijkheid zou moeten introduceren.
De rechtbank heeft tijdens de zitting de standpunten van de officier van justitie en de verdediging gehoord. Beide partijen stelden dat er geen wettelijke basis bestaat voor wijziging van de maatregel. De rechtbank overwoog dat het Wetboek van Strafvordering inderdaad geen regeling kent voor wijziging van een maatregel ex artikel 38v Sr en dat dit een bewuste keuze van de wetgever was.
De rechtbank verwierp de stelling dat sprake is van een onbedoelde lacune en wees erop dat de vermeende wijzigingsmogelijkheid onder de oude regelgeving onjuist is. Hoewel een wetsvoorstel tot wijziging van de regeling aanhangig is, kan de rechtbank hier niet op anticiperen. Daarom verklaarde zij de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot wijziging van de maatregel.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor wijziging van de vrijheidsbeperkende maatregel.