Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
14 [verweerder 2] ,
51 [belanghebbende 7] ,
[belanghebbende 12],
[belanghebbende 21],
[belanghebbende 27],
[belanghebbende 28],
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoeker 1] c.s.;
- het verweerschrift van CNC;
- het verweerschrift van [verweerder 14] ;
- het verweerschrift van [verweerder 15] c.s.;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 mei 2022.
2.De feiten
“respectievelijk aan de coöperatie (of aan een afhankelijke maatschappij) hebben geleverd”zou worden doorgehaald. De algemene ledenvergadering van CNC heeft op 7 juni 2017 ingestemd met de voorgestelde statutenwijziging.
compareversie van de nieuwe statuten is zichtbaar dat in artikel 25 onder Pro (ii) de strofe
“respectievelijk aan de coöperatie (of aan een afhankelijke maatschappij) hebben geleverd”is doorgestreept. De voorgestelde statutenwijziging is door de algemene ledenvergadering van CNC unaniem goedgekeurd.
3.Het verzoek
4.De beoordeling
“(…) in het kader van dit verzoek niet ter beoordeling voorligt hoe het na de vereffening van CNC resterende overschot verdeeld moet worden. Dat is uiteindelijk een zuiver vermogensrechtelijk geschil en de enquêteprocedure is niet geschikt om dat geschil te beslechten. (…)”. Van misbruik van procesrecht is op grond van het voorgaande geen sprake.
“ [verzoeker 1] c.s. werden bij beschikking van 25 januari 2021 niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek en de gevraagde voorlopige voorzieningen werden afgewezen.”Dat is een weliswaar erg korte, maar niet onjuiste weergave van de uitkomst van de procedure bij de Ondernemingskamer. De beschikking van de Ondernemingskamer is daarnaast als productie bijgevoegd, zodat de rechtbank van de inhoud daarvan kennis heeft kunnen nemen. Verder geldt dat in deze procedure door [verzoeker 1] c.s. – voor zover de rechtbank dat kan vaststellen – inderdaad (groten)deels dezelfde argumenten zijn aangevoerd als bij het door hen gedane enquêteverzoek. De context daarvan is echter anders. Bij de Ondernemingskamer lag de vraag voor of er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken binnen CNC. In deze procedure ligt de vraag voor of het plan van verdeling gewijzigd dient te worden. De Ondernemingskamer heeft [verzoeker 1] c.s. voor beslechting van hun vermogensrechtelijke geschil met CNC ook verwezen naar de rechtbank, door in rechtsoverweging 3.6. te overwegen dat
“(…) in het kader van dit verzoek niet ter beoordeling voorligt hoe het na de vereffening van CNC resterende overschot verdeeld moet worden. Dat is uiteindelijk een zuiver vermogensrechtelijk geschil en de enquêteprocedure is niet geschikt om dat geschil te beslechten. (…)”Al met al luidt de conclusie dat van schending van de waarheidsplicht of misbruik van procesrecht geen sprake is.