Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[verzoeker] ,
51.[belanghebbende sub 51] ,
[belanghebbende sub 56],
[belanghebbende sub 65],
[belanghebbende sub 71],
[belanghebbende sub 72],
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoeker] ;
- de akte houdende wijziging van het verzoek van [verzoeker] ;
- het verweerschrift van CNC;
- het verweerschrift van [verweersters sub 3 - 14] ;
- het verweerschrift van [verweersters 15 - 44] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 mei 2022.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
“(…) in het kader van dit verzoek niet ter beoordeling voorligt hoe het na de vereffening van CNC resterende overschot verdeeld moet worden. Dat is uiteindelijk een zuiver vermogensrechtelijk geschil en de enquêteprocedure is niet geschikt om dat geschil te beslechten. (…)”. Van misbruik van procesrecht is op grond van het voorgaande geen sprake.
“(…) Zoals vanochtend telefonisch besproken en door jou bevestigd, is het lidmaatschap van CNC, per brief, opgezegd en jou ledengeld terugbetaald. (…)”en in vervolg daarop op 8 februari 2021:
“(…) In ons telefoongesprek van 4 februari 2021 heb ik trouwens begrepen dat je de opzegbrief wel hebt gekregen en met Carla daarover hebt gesproken. (…)”. Niet gesteld of gebleken is dat [naam lid 2 liquidatiecommissie] enig (financieel) belang heeft bij het afleggen van een voor [verzoeker] ongunstige verklaring op dit punt. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [verzoeker] in gesprek met [naam lid 2 liquidatiecommissie] inderdaad heeft erkend de opzeggingsbrief van 28 oktober 2018 te hebben ontvangen. Dat wordt overigens ook ondersteund door de hiervoor genoemde feitelijke situatie, waarin [verzoeker] zich sindsdien niet langer als lid van CNC heeft gedragen en CNC [verzoeker] niet langer als lid heeft behandeld.